Een taal zo taai als bamboe

“In ons land...”, we horen een monotone stem, “..hebben bijna één miljoen volwassenen..”, de stem spreekt op dicteersnelheid, “..moeite..”, stembuiging móéite, “..met lezen en schrijven..”, schrij-ven. “..Wist u niet hè? Dat in Nederland bijna één miljoen volwassenen moeite met lezen en schrijven hebben. Wilt u daar meer over weten, haal dan de folder bij postkantoor of bibliotheek.”

Postbus 51-mededeling over hedendaags analfabetisme. In krap een halve minuut wordt verteld dat het belangrijkste voertuig van onze nationale identiteit, de Nederlandse taal, kampt met een lekke band. Van onze taalgebruikers bungelt een deel er maar zo'n beetje bij aan. Althans, als we Onderwijs en Wetenschappen mogen geloven.

Zou dat nu werkelijk zo zijn? Wordt het Nederlands bedreigd door een stille dood van binnen uit? Als het tv-spotje gaat over echte analfabeten dan lijkt dat aantal van één miljoen wat overdreven, maar als het gaat over de groep "halvabeten" dan hadden ze er evengoed 10 miljoen van kunnen maken: in Nederland is het meest geraadpleegde boek het telefoonboek, een roman met een oplage van 10.000 heet een succes, en bij 100.000 is het een bestseller. Wie ontvangt er nog wel eens een goed geschreven brief? Welbeschouwd hebben in ons land bijna alle volwassenen moeite met lezen en schrijven.

Het is echter de vraag of dat wel zo zorgwekkend is. Als "taal' hetzelfde zou zijn als "geschreven woord' dan zou 90 procent van de wereldbevolking stom, dom en doof zijn. Maar de praktijk leert dat de grote massa der ongeletterden de ogen, oren en mond wijd open heeft, en veel honger kent, behalve letterhonger. Elke taalgemeenschap kan overleven zonder het geschreven woord; wat er ook wordt beweerd over analfabetisme, spelling, taalbeheersing of grammatica, de mensen spreken hun taal toch wel, niet gehinderd door de sociale, culturele of esthetische dimensies van wat ze zeggen. Die zijn er voor de taalkundigen en filosofen.

Wordt het Nederlands bedreigd door analfabetisme, door de toenemende ver-Engelsing, door de lelijkheid van de taal zelf? Over de schoonheid ervan waren de meningen altijd verdeeld, en nooit onverdeeld positief. In 1833 noemde Ludolf Wienbarg Nederland “een land van prozaïsche, grove geesten, saai en suf brabbelend in een buitengewoon lelijke taal”. Voor de schoonheidsprijs lijken we misschien niet in aanmerking te komen, maar onze taal heeft wel veel dynamiek: niemand stoort zich aan regel of gebod, het ene modewoord na het andere stuift door onze zinnen en nergens anders maakt men zich zo druk over taalverloedering, trendy woordgebruik en het jargon van subculturen. Onze taal is dan misschien niet mooi, springlevend is zij zeker, en taai als bamboe. Waarom zouden we ons dan zorgen maken over de linguïstische verhoudingen binnen het veranderend Europa? Laat het Frans of het Engels maar komen! Maar nee, velen verwachten dat het Nederlands verbannen zal worden naar de tapkast en het kringgesprek. W.F. Hermans, de historicus Kossmann en zelfs Ethel Portnoy zien het somber in en toen minister Ritzen in een onbewaakt ogenblik probeerde om aan onze universiteiten het Engels tot voertaal te bombarderen, ontplofte het volk. Je kunt een Nederlander beter aan zijn vrouw zitten dan aan zijn taal. Het parlement reageerde op de stereotiepe, krampachtige manier: “Het dient aanbeveling in de wet vast te leggen dat het Nederlands de voertaal is aan universiteiten en hogescholen”. Allemaal angst.

Maar gelukkig doet niet iedereen het in zijn broek bij de gedachte aan opgeheven binnengrenzen en colleges in het Engels. Het optimistischer deel der natie ziet niet bij elke verandering meteen onze taal sneuvelen: heeft het Nederlands aan de tapkast zoveel minder overlevingskansen dan in collegebanken waar tot 100 jaar geleden uitsluitend Latijn werd gesproken?

Een elegante analyse komt uit de pen van Abram de Swaan. Volgens hem zal noch het Frans, noch het Engels of welke taal dan ook de standaardtaal van Europa worden. Daarvoor zijn de andere talen te sterk en is het chauvinisme van de volken te groot. Hooguit versterkt het Engels zijn huidige positie als lingua franca binnen multinationale ondernemingen, de wetenschap en het amusementswezen, maar dat zal niet ten koste gaan van de bestaande talen.

Geen nood dus, of sterker nog: nieuwe kansen! Meertaligheid is macht. De Nederlander die het Engels beheerst, kan met evenveel wereldbewoners spreken als een Engelsman, maar bovendien met 20 miljoen Nederlandstaligen, met wie hij zich door een eenvoudige codewisseling onverstaanbaar kan maken. Daar móét iets mee te doen zijn. Misschien is het zelfs wel zo, dat tweetaligheid de positie van het Nederlands zou versterken. Lijden het Spaans in Midden-Amerika of het Swahili in Afrika onder de prominente aanwezigheid van het Engels?

De positie van een taal hangt niet aan het zijden draadje van het geschreven woord, maar wordt bevochten op de straat. Daarom zal het Nederlands niet worden overstemd door de Latijnse of Engelse galm uit de collegezaal, maar zal het veeleer verstommen door de weifelachtige houding van onszelf. We lijden aan collectieve twijfelzucht en projecteren onze onzekerheid onder meer op de taal. We zijn tegen colleges in het Engels, maar we schrijven onze proefschriften wel in die taal en we ontlenen prestige aan het lezen van buitenlandse literatuur in de orginele versie. Het is zoiets als "De Hollandse Taalwet van White en Boucke' (in The Unduchtables): Hoe beter een buitenlander Nederlands leert, des te meer zullen Hollanders weigeren Nederlands met hem te spreken en des te vaker zullen zij erover klagen dat hij nooit de moeite heeft genomen om Nederlands te leren. Schrijver Gerrit Krol: “Trots op onze taal zullen we pas worden als er een beroemde buitenlandse schrijver komt die zal zeggen wat een prachtige, wat een ongelooflijk rijke taal is het, dat Nederlands”.

Tja, daar kunnen we lang op wachten. Maar we kunnen er wel vast op wijzen dat het Nederlands een fantastische politieke taal is, die bijvoorbeeld woorden als "beleid' en "apartheid' heeft voortgebracht en nu weer een woord als "autoluw' cadeau doet. Ze betekenen zoveel als "besluiteloosheid', "inmenging in andermans zaken' en "anti-auto', maar ze klinken stukken aangenamer.

Kossmann: “Het woordgebruik in Nederland is volstrekt tegengesteld aan de werkelijkheid”. Het lijkt een interessant object van onderzoek voor onze sociolinguïsten, maar waarschijnlijk hebben die daar geen tijd voor. Te druk met vergaderen.