College A'dam wil juridische stappen tegen Goldreyer

AMSTERDAM, 11 DEC. B en W van Amsterdam willen juridische stappen ondernemen tegen de Amerikaanse restaurateur Daniel Goldreyer. Het college heeft de Gemeenteadvocaat verzocht uit te zoeken wat hiertoe de mogelijkheden zijn.

Dat schrijft de wethouder van cultuur aan de raadscommissie, die 18 december vergadert over de restauratie van het schilderij Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III van Barnett Newman. B en W noemen de keuze voor Goldreyer als restaurateur “een zorgvuldig gemaakte keuze”. De raadscommissie zet echter nog steeds vraagtekens bij de gang van zaken rondom de restauratie. B en W trekken op grond van het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium de -voorlopige- conclusie dat het schilderij is overgeschilderd en zeggen het onjuist te vinden “dat een zo vergaande ingreep heeft plaatsgevonden zonder uitdrukkelijke toestemming van de opdrachtgever”.

Daniel Goldreyer heeft gisteren een brief aan directeur dr. W.A.L. Beeren van het Stedelijk Museum gestuurd waarin hij het “schandelijk” noemt dat hij nog niet de toegezegde Engelse vertaling van het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium heeft gekregen, terwijl het al lang naar de pers is uitgelekt.

Volgens Goldreyer heeft hij gisteren slechts een incomplete versie gekregen. “Daarmee onthoudt u ons de mogelijkheid de restauratie te verdedigen en een eind te maken aan de valse beschuldigingen waarmee de pers kennelijk vanuit verschillende bronnen wordt gevoed. Waarom doet u zo iets vreselijks? En als u het niet doet, wie dan wel?” schrijft Goldreyer.

Beeren heeft gisteren een persbericht doen uitgaan waarin hij meedeelt zich tot de commissievergadering te onthouden van verder commentaar. In een brief van 9 december aan B en W, ontkent Beeren dat hij zijn personeel een zwijgplicht heeft opgelegd toen er kritiek was gerezen op de restauratie. Volgens hoofdrestaurateur E. Bracht van het Stedelijk, die vorig jaar maart al meldde dat het schilderij was overgeschilderd, was het echter wel degelijk zo dat er niet over gepraat mocht worden.

Bracht, die niet bereikbaar was toen bekend werd dat Goldreyer alkyd op het schilderij had aangebracht, sprak gisteren van “een ramp”. “Het is erger dan ik had durven vermoeden. Ik ben bang dat het niet kan worden teruggedraaid”. Zij had ook nu het verzoek gehad niets te zeggen tot de commissievergadering. “Het enige wat ik hoop is, dat de reputatie van Goldreyer door deze affaire zo geschaad wordt, dat dit soort dingen ophouden. Ik vind dat hij moet worden aangepakt, het gaat mij niet om het hoofd van Beeren.” Zij zei het “teleurstellend” te vinden dat niet is gereageerd, toen zij vorig jaar maart ontdekte dat het schilderij was overgeschilderd. “Ik begrijp dat nog steeds niet. Er is mij ook nooit verteld waarom er niet op is gereageerd”, zei Bracht.

In een brief van 9 december aan de wethouder voor cultuur schrijft Beeren dat de kritiek van de hoofdrestaurateur serieus is genomen, “ook toen die kritiek haaks kwam te staan op de rapportage van de restaurateur”. Hij legt verder echter niet uit wat hij met die kritiek heeft gedaan. Beeren ontkent in zijn brief dat hij zijn personeel zwijgplicht zou hebben opgelegd en suggereert dat het begrip "vertrouwelijkheid' wellicht als zodanig is opgevat door de restauratie-afdeling.

Hij schrijft dat het “een algemeen geldende regel” is dat bij restauratiezaken vertrouwelijkheid ten aanzien van de buitenwereld wordt verondersteld als er vandalen aan het werk zijn geweest, “mede met het oog op de inspiratie die dergelijke agressief aangebrachte beschadigingen blijken te hebben op andere labiele persoonlijkheden”. Volgens Bracht was dat in het begin inderdaad het uitgangspunt, “maar wat betreft het resultaat van de restauratie lijkt het mij niet meer zo van toepassing. Het is ook niet zo dat een restaurateur niet over dit soort dingen mag praten.”

Over de toekomst schrijft Beeren dat hij samenspraak tussen de afdeling restauratie en de directie als essentiëel ziet, maar dat hij het “vanzelfsprekend” vindt dat de restaurateur “zich meer richt op te volgen restauratietechnieken” en de directie op de vraag of een na een zware beschadiging gerestaureerd schilderij in de collectie kan blijven.

Op de vraag van B en W hoe hij in de toekomst ingrijpende restauraties wil aanpakken, schrijft Beeren: “Hoe in de samenwerking met de restaurateur voorkomen kan worden dat deze een methode toepast die anders is dan hij vooraf aangeeft te zullen volgen en-of later rapporteert, is mij door deze restauratie niet duidelijker geworden. Wellicht zal in de toekomst een nog intensievere voortgangscontrole moeten worden uitgeoefend door een wellicht nog breder samengestelde begeleidingscommissie”.

Volgens de Amerikaanse restaurateur Terrence Mahon heeft Goldreyer zijn bekendheid juist te danken aan het overschilderen van colourfield schilderijen. Hij krijgt daartoe vaak toestemming van de kunstenaar of een andere opdrachtgever. De commissie had dat moeten weten, vindt Mahon.

D66-raadslid E.C. Bakker, die de zaak destijds heeft aangezwengeld, zei: “Het kan wel zijn dat de keuze voor de restaurateur zorgvuldig is geweest, maar dat geldt niet voor de toegepaste restauratietechniek. Wat mij ook verbaast is, dat B en W met geen letter reppen over de kosten”. De voorzitter van de cultuurcommissie B. Holvast (Groen Links) vindt het collegestandpunt onvoldoende. “Het is bijvoorbeeld nog steeds onduidelijk hoe de begeleidingscommissie heeft gefunctioneerd”, aldus Holvast, die ook vindt dat de positie van de directeur van het Stedelijk in het geding is, gezien de volgens hem verstoorde verhoudingen binnen het museum.