Beperking kapitaalstromen verboden per 1 januari '94; Hoofdpunten van de Economische en Monetaire Unie

MAASTRICHT, 11 DEC. De wijzigingen van het EG-verdrag met betrekking tot de Economische en Monetaire Unie leggen vast dat de landen van de Europese Gemeenschap hun economische beleid nauw op elkaar afstemmen en overgaan op één gemeenschappelijke munt. Deze zal op zijn vroegst in 1997 in een meerderheid van EG-lidstaten en op zijn laatst in 1999 in een kleiner aantal EG-landen worden ingevoerd. De Europese Centrale Bank die op het moment van invoering van de Ecu, de gemeenschappelijke munt, zal worden opgericht, heeft als eerste doelstelling de bewaking van prijsstabiliteit en zal volledige politieke onafhankelijkheid hebben.

De hoofdpunten van de Economische en Monetaire Unie, zoals gisteravond met unanimiteit goedgekeurd door de Europese top, zijn de volgende.

Alle beperkingen op de vrije beweging van kapitaal zijn vanaf 1 januari 1994 verboden.

In bijzondere gevallen mogen beperkingen op kapitaalbewegingen naar niet-EG-landen worden opgelegd (dit betreft sancties tegen landen zoals Irak in 1990).

De Raad van ministers van financiën zal algemene richtlijnen voorstellen voor het economische beleid van de lidstaten. De Europese raad van regeringsleiders zal deze richtlijnen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen goedkeuren. Aan de hand van deze richtlijnen zal toezicht worden gehouden op het economische beleid van de lidstaten.

Als het beleid van landen afwijkt van deze richtlijnen, kan de raad van ministers aanbevelingen doen om het beleid te wijzigingen.

Het is verboden dat de Europese Centrale Bank krediet verstrekt aan de Gemeenschap, aan nationale, regionale of lokale overheden. De Gemeenschap is niet aansprakelijk voor de schulden van nationale overheden en lidstaten zijn niet aansprakelijk voor de schulden van andere lidstaten.

Lidstaten zullen excessieve begrotingstekorten vermijden. Als ijkpunt wordt hiervoor genomen een financieringstekort van 3 procent van het bruto binnenlands produkt en een totale overheidsschuld (inclusief sociale fondsen) van 60 procent van het bruto binnenlands produkt.

In geval landen hieraan niet voldoen treedt een procedure in werking om de tekorten te verminderen. Als landen hun tekorten niet terugdringen, kunnen de volgende sancties worden genomen: - Verplichte publikatie van financiële gegevens bij de uitgifte van staatsobligaties; - Stopzetting van leningen van de Europese investeringsbank; - De verplichting om renteloze deposito's te storten bij de Gemeenschap

-de oplegging van boetes.

De ECB zal het exclusieve recht hebben om de uitgifte van bankbiljetten in de Gemeenschap toe te staan. Deze bankbiljetten mogen door de ECB en door nationale centrale banken worden uitgegeven, maar moeten "geharmoniseerd' zijn.

De ECB en de nationale banken zullen geen instructies ontvangen van de Gemeenschap of van nationale overheden.

De Raad van ministers van financiën kunnen met unanimiteit besluiten formele akkoorden te sluiten over een wisselkoerssysteem met landen buiten de Gemeenschap. Als een dergelijk wisselkoerssysteem met niet-EG-valuta ontbreekt, kan de Raad aanbevelingen aan de ECB geven voor een algemeen wisselkoersbeleid. Deze aanbevelingen mogen geen inbreuk doen op het primaire doel van prijsstabiliteit.

De ECB zal jaarlijks verslag doen van haar activiteiten aan het Europese parlement, de Raad van ministers en de Commissie.

De tweede fase van de Economische en Monetaire Unie zal op 1 januari 1994 beginnen. In deze fase zal het economische en monetaire beleid van de lidstaten nauwer op elkaar worden afgestemd, zullen excessieve tekorten vermeden worden en zullen alle nationale centrale banken onafhankelijk moeten worden.

Aan het begin van de tweede fase wordt het Europese Monetaire Instituut (EMI) opgericht, dat tot taak krijgt het monetaire beleid te coördineren en de oprichting van de Europese centrale bank voor te bereiden.

Vanaf 1 januari 1994 wordt de samenstelling van de Ecu (wat de percentages van deelnemende valuta betreft) niet meer veranderd. Aan het begin van de derde fase wordt de waarde van de Ecu vastgelegd.

De convergentie van het economische beleid wordt beoordeeld op de volgende punten: - prijsstabiliteit: een maximale afwijking van anderhalf procentpunt van de drie best presterende landen in het jaar voorafgaande aan de beoordeling; - overheidstekort zoals vastgelegd in de "excessieve tekort'-procedure; - stabiliteit van de munt zoals blijkt uit deelname zonder spanningen aan de smalle marge van het huidige Europese monetaire stelsel in de twee jaar voorafgaande aan de beoordeling; - rentepercentage dat niet meer dan 2 procentpunten afwijkt van de lange rente in de drie best presterende landen in het jaar voorafgaande aan het onderzoek.

De Europese raad van regeringsleiders zal uiterlijk op 31 december 1996 met gekwalificeerde meerderheid beslissen of een meerderheid van de lidstaten voldoet aan de voorwaarden voor de overgang naar één munt, onderzoeken of de Gemeenschap gereed is om de stap naar één munt te maken en indien dit het geval is hiervoor een datum vaststellen.

Als aan deze voorwaarden niet is voldaan en eind 1997 nog geen datum voor het begin van de derde fase is vastgesteld, zal deze beginnen op 1 januari 1999. Vòòr 1 juli 1998 zal de Europese raad met gekwalificeerde meerderheid vaststellen welke lidstaten aan de voorwaarden voldoen. Dit aantal landen hoeft geen meerderheid van het aantal lidstaten meer te zijn.

Lidstaten die niet aan de voorwaarden voldoen krijgen een ontheffing. Iedere twee jaar zal gekeken worden of ze inmiddels aan de voorwaarden voldoen.

Uiterlijk op 1 juli 1998 zal de Europese Centrale Bank worden opgericht. Landen die een ontheffingsstatus krijgen, zijn vertegenwoordigd in een Algemene raad van de ECB; landen die aan alle voorwaarden voldoen zijn lid van de Uitvoerende raad van de ECB.

Bij het begin van de derde fase stellen de lidstaten die geen ontheffing hebben met unanimiteit vast dat hun nationale munten een onomkeerbare vaste wisselkoers ten opzichte van de Ecu krijgen. De Ecu zal een zelfstandige munt worden.

Aan de verdragsteksten is een aantal protocols toegevoegd. Deze specificeren de omschrijving van excessieve tekorten en de criteria voor economisch beleid waaraan landen moeten voldoen.

Een protocol legt het onomkeerbare karakter van de Economische en Monetaire Unie vast. Voor Denemarken en Groot-Brittannië zijn aparte protocols opgesteld. In het geval van Denemarken is dit nodig omdat de Deense grondwet tot een referendum over deelname aan de slotfase van de monetaire unie kan verplichten. Bij een verwerping van de monetaire unie is Denemarken niet verplicht tot deelname en telt dan evenmin mee bij de vaststelling van de meerderheid van het aantal landen dat nodig is om de stap naar één munt te zetten.

Groot-Brittannië verbindt zich zonder aparte beslissing van het parlement en de Britse regering niet tot deelname aan de slotfase van de monetaire unie. Als de Britten niet melden dat ze willen deelnemen, zijn ze uitgesloten. Dan telt Groot-Brittannië evenmin mee bij de vaststelling van de meerderheid van het aantal landen dat nodig is om de stap naar één munt te maken.