Waarde van lire staat ter discussie

Nu er weinig aanwijzingen zijn dat de Italiaanse economie weer aantrekt, wordt al een paar weken een fel debat gevoerd over de voors en tegens van een devaluatie van de lire.

Het openingsschot kwam vorige maand van ex-minister van financiën Bruno Visentini, lid van de kleine Republikeinse partij. Hij wees erop dat in het verleden vaak de nadelige internationale effecten van de hoge inflatie gecompenseerd konden worden door voortdurende kleine devaluaties. Sinds de lire een kleine bandbreedte heeft in het Europees Monetair Stelsel (EMS) is dit gevaarlijke medicijn niet meer toepasbaar, waardoor de Italiaanse industrie haar internationale concurrentiepositie heeft zien verslechteren.

Die achteruitgang van de concurrentiepositie vormt het refrein in de kritiek waarmee de werkgevers de regering blijven bestoken. Het weekblad Mondo Economico, eigendom van de werkgeversorganisatie Confindustria, rekent deze week voor dat de lire tussen 1987 en 1990 in feite tien procent duurder is geworden als je kijkt naar de kosten per eenheid produkt. Dit betekent een gevoelig internationaal terreinverlies voor de industrie.

Voorlopig zijn de tegenstanders van een devaluatie, onder wie premier Andreotti en de president van de Banca d'Italia, in de meerderheid. Een devaluatie van alleen de lire binnen het EMS zou volgens velen betekenen dat Italië zichzelf een brevet van onvermogen geeft. Bovendien zou het hierdoor minder makkelijk worden voor de regering om geld te lenen op de internationale kapitaalmarkt, ter dekking van het begrotingstekort.

De Italiaanse regering zou waarschijnlijk wel akkoord kunnen gaan met een uitgebreidere herschikking binnen het EMS, waarbij ook andere munten betrokken zijn. De afgelopen weken kwam de lire fors onder druk.

Veel tegenstanders van devaluatie hebben erop gewezen dat een eventuele devaluatie niet meer dan een lapmiddel is en dat de financiële problemen fundamenteler moeten worden aangepakt. Daar is echter nog steeds weinig zicht op. Het begrotingstekort bedraagt 10,2 procent van het bruto nationaal produkt en de jongste voorspellingen zijn dat het tekort voor dit jaar hoger uitvalt dan geraamd, ondanks een op papier ingrijpende voorjaarsnota. De inflatie op jaarbasis is met een paar tiende procent gedaald, maar ligt met 6,1 procent nog steeds aanzienlijk hoger dan in de meeste andere EG-landen.

Het Internationaal Monetair Fonds waarschuwde vorige maand in een rapport over de Italiaanse overheidsfinanciën dat de situatie “onhoudbaar” is geworden, maar dat er weinig uitzicht is op verbetering.

De begroting die volgens premier Andreotti met zijn grote bezuinigingen het toegangsbewijs voor de Europese monetaire unie moest bieden, is aan veel kanten stukgeschoten. Het parlement heeft de behandeling ervan nog niet afgerond, maar verwacht wordt dat het eindresultaat minder ingrijpend zal zijn dan de regering heeft aangekondigd.

Een rol hierbij speelt het onzekere politieke klimaat. Premier Andreotti heeft gesuggereerd dat na de top in Maastricht zal worden besloten al of niet vervroegde verkiezingen te houden. De parlementsverkiezingen staan voor volgend jaar zomer op het programma, maar de politieke impasse is zo groot dat binnen de regeringspartijen veel voorstanders zijn van zo snel mogelijke verkiezingen.

Behalve de begroting zijn er twee andere onopgeloste problemen die direct daarmee in verband staan: de pensioenen en de arbeidskosten. Minister van arbeid Marini had voor juni een nieuwe pensioenregeling beloofd, bedoeld om de uitgaven voor sociale zekerheid te beperken. Zijn jongste voorstellen bieden weinig verlichting voor de begroting.

Ook de onderhandelingen over de arbeidskosten tussen overheid, werkgevers en vakbonden, verkeren in een impasse. Vandaag zou een nieuwe overlegronde worden gehouden onder leiding van Marini, maar verwacht wordt dat daar weinig resultaten uit komen.

Het bruto nationaal produkt is in het eerste semester met 1,4 procent gegroeid, maar de totale groei van dit jaar zal naar verwachting weinig hoger liggen dan één procent. Omdat de binnenlandse vraag enigzins stagneert en bedrijven hun investeringsplannen afzwakken of uitstellen, is de hoop gericht op een economische opleving door het aantrekken van de export. Maar daar is weinig zicht op. In september was de waarde van de Italiaanse export, na correctie voor seizoensinvloeden, 2,8 procent lager dan in juli. Ook de waarde van de import is gedaald, maar dat had vooral te maken met de daling van de prijzen van de grondstoffen.

Door deze daling zijn de prijzen voor de producent minder sterk gestegen dan die voor de consument (waarbij ook de consumptie van diensten wordt gerekend). Het feit dat het verschil groter is geworden, illustreert de problemen in de dienstensector, die minder sterk is blootgesteld aan de internationale concurrentie en daarom ook minder sterk de noodzaak voor herstructurering voelt.