Vrouwen in kader prefereren carrière boven moederschap

AMSTERDAM, 10 DEC. “Vrouwen in hogere functies zijn veel extremer in hun keuze voor een carrière dan mannen. Ofwel ze richten zich honderd procent op hun loopbaan, ofwel ze kiezen voor kinderen. Voor mannen bestaat dat keuzemoment niet.” Dat zegt de bedrijfspsychologe IJ. H. van Emmerik (35) die vanmiddag is gepromoveerd aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.

Zij verrichtte een vergelijkend onderzoek tussen 119 mannen en 97 vrouwen in de dienstverlenende afdeling van een groot commercieel bedrijf. Uit haar bevindingen blijkt dat vijftig procent van de vrouwen in kaderfuncties er uit carrière-overwegingen voor kiest om kinderloos te blijven. Daarentegen hebben alle mannen op kaderniveau kinderen of willen er binnen vijf jaar aan beginnen.

“De kinderwens zou onder mannen en vrouwen gelijk zijn als er betere voorzieningen zouden zijn, zoals flexibele arbeidstijden, kinderopvang en de mogelijkheid om parttime te werken. Nu kunnen vrouwen kinderen simpelweg niet met een hoge functie combineren”, aldus de promovenda die zelf haar baan als universitair docente weet te combineren met twee kleine kinderen. “Maar ik heb het geluk dat ik aan de economische faculteit parttime kan werken. Dat is in de meeste kaderfuncties niet mogelijk.”

Uit haar onderzoek blijkt verder dat hoe hoger de functie van mannen is hoe minder hun partner werkt. Voor vrouwen geldt dit niet. Van Emmerik: “Mannen in kaderfuncties hebben partners die het huishouden verzorgen of hooguit twee dagen per week werken. Maar vrouwen in kaderfuncties hebben meestal een partner die zelf ook zestig uur per week werkt.”

Volgens de bedrijfspsychologe strookt het traditionele beeld dat mannen meer ambities hebben dan vrouwen niet met de werkelijkheid in het midden- en hoger kader. “Integendeel, vrouwen in deze sectoren zijn ambitieuzer dan hun mannelijke collega's.

Gevraagd of zij binnen een jaar een andere of leidinggevende functie ambiëren, zegt 58 procent van de vrouwen in een kaderfunctie "ja', tegen 45 procent van de mannen'' aldus Van Emmerik.

Toch bezetten volgens de CBS-cijfers van 1990 vrouwen slechts 11 procent van de leidinggevende functies. “De reden is dat bedrijven minder inspelen op de ambities van hun vrouwelijke werknemers”, meent de bedrijfspsychologe. “Wat mannen willen, wordt sneller opgepikt.”

Uit haar onderzoek blijkt dat mannen veel negatiever staan tegenover voorkeursbehandeling en parttime werken dan vrouwen. Hoe hoger de functie, hoe groter het verzet van mannelijke werknemers tegen positieve acties. Bij vrouwen signaleert Van Emmerik het tegenovergestelde.

Zelf is ze geen voorstander van positieve discriminatie. “Als je op die manier een bedrijf binnenkomt, blijf je altijd een stigma houden. Dat is fnuikend voor je zelfvertrouwen.”

Volgens Van Emmerik zijn maatregelen als goede kinderopvang veel effectiever om meer vrouwelijke werknemers te trekken dan voorkeursbehandelingen en assertiviteitstrainingen voor vrouwen. Verontrustend noemt ze haar bevinding dat mannen die parttime werken geen carrièrestappen meer maken. “Wat parttime werken betreft wordt het volksgeloof bevestigd: het blijkt remmend te werken op een succesvolle loopbaan, voor mannen althans.”