Verpauperde steden

De burgemeester van Zoetermeer, dr. L. van Leeuwen, beschuldigt de gemeente Den Haag van 'spelbederf' bij de bestuurlijke vernieuwing, daarbij een voorschot nemend op de parlementaire discussie en terloops de porseleinkast leegvegend van de regiovorming in de Haaglanden.

Waardoor komt het dat grote steden, zoals Den Haag en Utrecht, in de financiële problemen raken? Volgens de burgemeester van Zoetermeer, dr. L. van Leeuwen heeft het falend bestuur in de regio daar niets mee te maken. En bij de wijziging van de Financiële Verhoudingenwet in 1984 is al het nodige gedaan. Dat bij dit laatste voorbij gegaan wordt aan het feit dat in 1984 de berekende - voor de steden benodigde extra - gemeentefondsuitkering gehalveerd èn gefaseerd werd is tot daar aan toe, maar dat over autonome demografische ontwikkelingen in grote steden in Nederland èn het buitenland heen wordt gekeken, is niet acceptabel. Het ontkent dat westerse steden juist weer in de afgelopen decennia toevluchtsoord zijn van kansarmen, terwijl de ruimte ontbreekt om in de stad suburbane woonmilieus te creëren voor koopkrachtige gezinshuishoudens. Gemeentelijk bouwbeleid kan hier maar marginaal corrigeren. Den Haag en Utrecht, die van de vier grote steden de afgelopen decennia het meest gedifferentieerd gebouwd hebben, komen door hun ruimtenood nu juist als eerste in de financiële problemen. Want om de ruimtenood en de sociale structuur gaat het en dat maakt dat door het Rijk èn in de regio voor de (financiële) problemen in de steden oplossingen gevonden moeten worden.

Een verpauperde centrumstad in een welvarende regio leidt immers op termijn ook tot een regio in verval. Regio en centrumstad zijn daarom tot elkaar veroordeeld. Niet alleen solidariteitsargumenten maar juist ook welbegrepen eigenbelang moeten ertoe leiden dat de regio zich voor grootstedelijke problematiek mee verantwoordelijk stelt. Nu gaat de discussie over de vraag of dit van onderaf (door de betrokkenen) tot stand komt. Van Leeuwen wil dat en zoekt het met vele discussianten over de regiovorming in ons land in vrijwilligheid-zonder-vrijblijvendheid. In de praktijk betekent dit voor wat hoort wat-afspraken en een intergemeentelijke politiek van het kleinste-gemene-veelvoud. Voor grote steden als Den Haag is dit aanleiding om het kabinet te vragen in wetgeving de samenwerking nader te structureren en daarmee lokatie-ontwikkeling, mobiliteitsbeleid en volkshuisvestingsbeleid tot werkelijk regionaal beleid te maken.

Sterker regionaal bestuur zal bepaald niet leiden tot een situatie waarbij randgemeenten door de centrale stad financieel geplunderd worden. Zo is - anders dan Van Leeuwen voorstelt - de door Den Haag voorgestane regionale grondpolitiek geen middel voor het afdekken van oude grondkostentekorten. Het gaat slechts om het - in het verlengde van het kabinetsbeleid - tot stand brengen van een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor nieuwe regionale bouwlokaties. De financiële risico's daarvan en de eventueel resterende tekorten zullen door de regio als geheel gedeeld moeten worden. Zoal ergens, dan ligt juist hierin een belangrijk toetspunt om te kunnen beoordelen of het gemeenten in de stedelijke regio's ernst is met de omslag van een praatcultuur die alles bij het oude laat naar werkelijk regionaal beleid. De achterdocht en het kennelijk gebrek aan enthousiasme bij de Zoetermeerse burgemeester voor een dergelijke beperkte maar voor het slagen van het ruimtelijk beleid essentiële regionalisatie van het grondbeleid doet het ergste vrezen.

Dit brengt mij op de toekomst van onze randstedelijke bestuursorganisatie. Als niet via een krachtige interimwet in de stadsgewesten ècht regionaal bestuur tot stand gebracht wordt naast provinciale samenwerking, uitmondend in één randstadbestuur, dan zullen zowel ordeningsvraagstukken als ook de ontwikkeling van lokaties en een adequate infrastructuur van het openbaar vervoer blijven stagneren met alle gevolgen voor de economische ontwikkeling van dien.