Veel tijd gaat op aan kwestie "meerderheid'

MAASTRICHT, 10 DEC. Een groot deel van het debat in de Europese Raad in Maastricht draaide gisteren en vandaag rondom de vraag welke besluiten in de nieuwe Unie straks unaniem genomen moeten worden en welke met “gekwalificeerde meerderheid”.

In Maastricht wordt er alleen nog maar met een Engelse afkorting over gesproken, QMV (qualified majority voting), naar het land dat er de grootste bezwaren tegen heeft. Unanimiteit voorschrijven betekent iedere lidstaat een vetorecht geven. Akkoord gaan met "QMV' is dus een reële overdracht van bevoegdheden aan de Raad van ministers. Hoe zal Europa in de toekomst gezamenlijk het buitenlands beleid vaststellen? Op welke manier wordt over het tijdstip besloten om in heel Europa één munt in te voeren? Mag de Raad straks met gekwalificeerde meerderheid besluiten over de maximale arbeidstijd en het minimumloon in Europa? Achter het debat QMV versus unanimiteit is het werkelijke verschil waarneembaar tussen landen die zich wel bij een Europees meerderheidsbesluit willen neerleggen en landen die daar voor terugschrikken.

Er is sprake van een gekwalificeerde meerderheid als in de Raad van ministers 54 van de 76 stemmen voor zijn. Het aantal stemmen wordt toegekend naar rato van het gewicht van het land. Frankrijk, de Bondsrepubliek, het Verenigd Koninkrijk en Italië hebben er elk tien. Spanje heeft er acht. België, Griekenland, Nederland en Portugal brengen vijf stemmen uit. Denemarken en Ierland ieder drie en Luxemburg twee. Door deze stemmenverdeling zijn kleinere landen beschermd; er zijn immers 22 stemmen nodig om een gekwalificeerd meerderheidsbesluit tegen te houden. Slaagt één kleiner land erin om met twee grote landen ergens tegen te stemmen, dan wordt de wens van negen landen genegeerd. De vier grote landen (samen veertig stemmen) zijn echter niet in staat om samen hun wil op te liggen aan de vijf kleinere.