Unieke afwikkeling van faillissement bouwbedrijf; Banken leverden te snel geld in bij bankroet van Bredero

ROTTERDAM, 10 DEC. In één klap viel vier jaar terug het doek voor bouwgigant Verenigde Bedrijven Bredero. Een bankconsortium onder leiding van ABN zette abrupt de financiering stop. Toen de curatoren klaagden dat de banken te veel zekerheden hadden genomen, lieten de banken dertien miljoen gulden aan vorderingen schieten. Dat was te snel. Gisteren maakten de schuldvereffenaars bekend dat zij alle preferente en concurrente schulden aflossen. Dat betekent dat zij ook de dertien miljoen hadden kunnen terugbetalen. Een faillissement waarbij de strop niet voor de leveranciers is maar voor de banken, is uniek. Een reconstructie.

Het was 1986. De buitenwereld wist niet anders dan dat Bredero een "ruimteproducerende onderneming' was. Zo had voormalig president dr. J. de Vries - Jantje Beton - het gewild. Een onderneming die projecten als het Utrechtse winkelcentrum Hoog Catharijne niet alleen bouwde, maar ook ontwikkelde, financierde en exploiteerde. Zelfs de bouwmaterialen kwamen van Bredero. De directie voorspelde een jaarwinst van zo'n tien miljoen gulden.

De banken zagen aankomen dat de prognose op drijfzand was gebouwd. Zij verschaften zich zekerheden ter waarde van een kwart miljard gulden. In september meldde de directie ineens een verlies van tien miljoen. Twee maanden later was het zeventig miljoen. De uitverkoop begon: het bestuur verkocht Redland-Bredero en hield daar zelf één miljoen gulden aan over, maar daarover later meer.

Ex-Hoogovens-topman ir. F.E. Mathijsen Gerst verving het bijna voltallige bestuur, maar kon ondanks de uitverkoop de banken niet overtuigen dat het weer goed zou komen met Bredero. De ABN ontdekte een, volgens curator mr. A. Voûte, “moorddadig huurcontract” in Hamburg. “Wanneer de directie in het nieuwe jaar het glas champagne hief, hadden ze door dat contract al tien miljoen D-mark verloren en dat elk jaar weer, tot ver voorbij de eeuwwisseling”, aldus Voûte.

Mathijsen Gerst meldde in april 1987 per telex dat het concern zou worden gesplitst in een gezond deel en een slecht deel, “waarvoor de financieringen zal worden voortgezet”. Hij vergat daarbij te zeggen door wie de financiering werd voortgezet. In ieder geval niet door de banken. Op 29 juni volgde uitstel van betaling en op 8 september faillissement.

De curatoren begonnen somber: “De toestand van de boedel is deplorabel. Concurrente schuldeisers hoeven niet op uitkering te rekenen.” Hun enige kans op uitkering leek het bestrijden van de zekerheden van de banken. De banken hadden er zoveel opgeëist dat het de vraag was of de andere crediteuren niet benadeeld waren, de actio pauliana in het juridische jargon. De curatoren eisten dat de banken een deel van de vorderingen zou omzetten in concurrente schuld.

De banken wilden liever schikken dan ingaan op de eisen van de curatoren of eindeloos procederen. Zij lieten 13 miljoen van de toen nog 150 miljoen gulden aan uitstaande vorderingen schieten. Als de banken op de eisen van de curatoren waren ingegaan, hadden zij nu ook hun 13 miljoen gulden teruggekregen. Gisteren bleek namelijk dat alle schuldeisers hun geld terug krijgen. Alleen de verschaffers van 47 miljoen gulden risicodragend kapitaal krijgen maar een kwart van hun inleg terug.

De aandeel- en certificaathouders hebben niets meer met deze afwikkelng te maken. Zij hebben ingestemd met een afwikkeling van het faillissement door BV Vereffenaar Verenigde Bedrijven Bredero, waarbij de voormalig curatoren mr. W.M.J. Bekkers, W.R. Küh en mr. A. Voûte directeur zijn.

Bredero is nu een speculatie-object. Het is een papieren bedrijf met alleen nog een fiscaal compensabel verlies van honderd miljoen gulden. Indien iemand Bredero opkoopt en hij zou zo'n bedrag aan winst boeken, dan hoeft hij daarover geen belasting te betalen. Maar de opkoper moet wel haast maken, want over drie jaar wil de fiscus het verlies niet meer compenseren. Dan is het voordeel verdampt.

Als Bredero niet failliet was gegaan, dan had het concern het verlies zelf kunnen benutten. Daarmee zouden ook de verstrekkers van risicodragend kapitaal tevreden kunnen zijn. Zeker wanneer de dochters, waarmee anderen nu goede sier maken, in het concern waren gebleven. Nu komen de winsten ten goede aan het bouwconcern BAM, dat de aannemerspoot van Bredero overnam, en vloeien de opbrengsten van de divisie pijpbekleding naar staalbedrijf Begemann.

Küh meent dat Bredero failliet moest gaan, omdat anders de directie onderdelen tegen afbraakprijzen had moeten verkopen. “Wij hebben vier jaar rust gecreëerd en al die tijd geen rente hoeven betalen.”

Of de verschaffers van risicokapitaal een kwart of wellicht de helft van hun vordering terugkrijgen, hangt af van de ex-bestuurders. Zij hebben tijdens de ontbinding van het concern in 1986 hun financiële positie proberen veilig te stellen. Zo werd één miljoen gulden van de opbrengst van de verkoop van Redland-Bredero door het bestuur op een aparte rekening gestort. Een eerste tranche van 250.000 gulden bereikte via Cyprus een Zwitserse nummerrekening van de raad van bestuur, maar voor de andere stortingen werd een stokje gestoken. Ook de gouden handdrukken van in totaal een kleine vijf miljoen gulden werden niet betaald.

Küh wil deze bedragen gebruiken als wisselgeld voor het wanbeleid dat de Ondernemingskamer de bestuurders op een aantal punten verweet. Maar wanbeleid constateren en bestuurders daarvoor laten betalen zijn juridisch totaal verschillende zaken, waartussen een kloof van langdurige processen gaapt.

Het wachten is op een arrest van de Hoge Raad. Pas daarna kan een civiele procedure over de aansprakelijkheid beginnen, een zaak die gemakkelijk over de eeuwwiseling kan worden getild. Dat is een weinig aanlokkelijk perspectief voor zowel schuldeisers als de bestuurders die wachten op hun afvloeiingsregeling. Treffen de oud-bestuurders geen schikking, dan krijgen ze in plaats van een gouden handdruk een gouden kist.