Tot nut der mensheid

Op 10 december 1896 stierf Alfred Nobel, een Zweeds industrieel die door de uitvinding van het dynamiet een enorm vermogen had vergaard.

Per testament bepaalde hij dat zijn kapitaal moest worden belegd om van de opbrengst per jaar, vanaf 1901, vijf prijzen (voor natuurkunde, scheikunde, fysiologie of geneeskunde, letterkunde en voor de vrede) toe te kennen aan hen “die aan de mensheid het grootste nut hebben verschaft”. De Zweedse Centrale Bank voegde in 1968 een zesde prijs toe, voor economie.

De hoogte van de prijs schommelt van jaar tot jaar, afhankelijk van het succes van de beleggingen. Dit jaar is de prijs zeer hoog, circa twee miljoen gulden (zes miljoen Zweedse kronen).

De vredesprijs is de enige van de zes Nobelprijzen die niet in Stockholm maar in Oslo wordt toegekend en uitgereikt. Dit feit voert terug op de wilsbeschikking van Nobel. Het huidige Noorwegen en Zweden vormden in zijn tijd één rijk onder de Zweedse kroon. Mogelijk dat Nobel met zijn keus voor Oslo het groeiende conflict tussen Noren en Zweden wilde sussen.

De eerste Nobelprijs voor de Vrede ging in 1901 naar de Zwitserse oprichter van het Rode Kruis, Henri Dunant, en de Franse voorman voor de vrede Frederic Passy.