Rode Kruis dringt discreet aan op handhaving oorlogsrecht in Joegoslavië; Zwijgen over oorlogsmisdrijven

Onder de kop "Realistisch' bevat deze krant van 3 december 1991 een redactioneel commentaar op een uitgelekte rapportage van de Europese waarnemers in Joegoslavië over de handelwijze van de federale strijdkrachten en andere deelnemers aan de strijd in dat land.

Sinds het uitbreken van de vijandelijkheden in juni 1991 is hoe langer hoe zichtbaarder geworden dat de partijen niet bepaald zachtzinnig optreden. Ook was alras duidelijk dat ten minste sprake was van een zgn. intern gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire oorlogsrecht. In 1977 kwam daarover een verdrag tot stand: het aanvullend Protocol II bij de Conventies van 1949.

Joegoslavië is sinds 1979 partij bij dit Protocol (zowel als bij Protocol I, dat toepasselijk is in internationaal gewapend conflict). Het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC), al voor het uitbreken van de strijd actief in het land, heeft dan ook gedaan wat het kon om alle partijen op hun plichten en verantwoordelijkheden te wijzen. Tot driemaal toe, op 2 en 16 juli en op 4 oktober, deed het dit zelfs in de vorm van publieke oproepen (die overigens, voor zover wij konden nagaan, deze krant niet hebben gehaald). Zonder twijfel beschikte het bij dit alles over tal van gegevens over gemaakte inbreuken op het geldende recht. Niettemin onthield het zich, in overeenstemming met zijn gevestigde praktijk, van publieke uitspraken over de schuld (de "misdadigheid', in termen van het redactioneel commentaar) van deze of gene partij. Het kon en kan dan ook nog steeds zijn werkzaamheden ten behoeve van de slachtoffers in Joegoslavië voortzetten.

Die werkzaamheden omvatten alles wat onder de bescherming van en hulpverlenging aan deze mensen kan worden gerekend, inbegrepen registratie, uitwisseling van berichten, bezoek van gevangenen, aanvoer en distributie van medische en andere hulpmiddelen. Voorts ook het langs alle denkbare wegen (pers, televisie, bijeenkomsten met verantwoordelijke personen) aandacht vragen voor het humanitaire recht en het oproepen tot naleving daarvan. Een belangwekkend, recent voorbeeld van zo'n bijeenkomst was de vergadering die het op 26 en 27 november in Genève had belegd met gevolmachtigde vertegenwoordigers van de Federale Uitvoerende Raad van Joegoslavië, de Kroatische en Servische Republiek en het Federale leger. De vertegenwoordigers sloten hun beraadslagingen voor humanitaire aangelegenheden voortvloeiende uit het conflict af met een door het ICRC als persbericht uitgezonden verklaring, die enige interessante punten bevat.

Alle deelnemers toonden zich om te beginnen bereid om humanitaire van politieke zaken te scheiden. Wat het toepasselijk humanitaire recht betreft, verklaarden zij de bepalingen van de Conventies van 1949 te zullen naleven en ook, merkwaardigerwijs, die van het voor internationale conflicten geschreven Protocol I van 1977. In ieder geval wat de toepasselijkheid van regels van humanitair recht aangaat, was zelfs Servië inmiddels kennelijk bereid de situatie in Joegoslavië als een conflict tussen staten te beschouwen.

De verklaring vermeldt nadrukkelijk dat de genoemde verdragen de bescherming beogen van gewonden en zieken, burgers en gevangenen, en ook regels stellen voor de oorlogsvoering zelf. Juist Protocol I is op dit laatste punt van grote betekenis. Het bevat uitgebreide voorschriften over de bescherming van de burgerbevolking tegen de gevolgen van de vijandelijkheden. De media, deze krant niet uitgezonderd, lijken aan dit aspect van het toepasselijke recht en de schending ervan tot nog toe geheel voorbij te zijn gegaan, laat staan dat zij een actie zouden hebben ondernomen om via de publiciteit de partijen tot matiging te bewegen. Niettemin kon de aandachtige lezer of kijker uit de beschikbare feitelijke informatie afleiden dat veel van wat de partijen deden met het recht in flagrante strijd moest zijn. In zover kan de rapportage van de Europese waarnemers niet als een volslagen verrassing zijn gekomen.

Gedragingen zoals nu uit Joegoslavië gemeld, vallen zeker als het om een internationaal gewapend conflict gaat en indien bewezen, onder de rubriek oorlogsmisdrijven. Daarvoor bestaat individuele aansprakelijkheid, zowel van de eigenlijke daders als van de bevelhebbers die opdracht gaven tot de daad of nalieten te doen wat zij konden om de daad te voorkomen of te bestraffen. Ook de staat (Servië? Kroatië?) draagt verantwoordelijkheid voor schendingen van het oorlogsrecht door zijn (geregelde of ongeregelde) strijdkrachten. Met betrekking tot dit alles geldt dat een beschuldiging uiteraard nooit meer is dan dat: wil zij worden staande gehouden, dan is deugdelijke vaststelling van de feiten een absoluut vereiste.

Zoals gezegd, komt het ICRC in de loop van zijn werkzaamheden heel wat van zulke feiten tegen. Maar het verzamelt en documenteert ze niet om er openlijke aanklachten mee te kunnen staven: eerder om discreet bij de verantwoordelijke autoriteiten op verbetering te kunnen aandringen. Tot publicatie gaat het uitsluitend over als het werkelijk geen enkele andere weg meer ziet om zijn doel te dienen. En dat is, zoals eerder vermeld, de bescherming van alle slachtoffers van de strijd.

Partijen zelf hebben wel degelijk belang bij een deugdelijke feitenvaststelling: om maatregelen te kunnen nemen ter voorkoming van herhaling, om schuldigen te straffen, of hun beleid tegenover beweerdelijk door de tegenpartij begane schendingen te bepalen. Protocol I van 1977 introduceert op dit punt een nieuwigheid: het voorziet in de instelling van een permanente Internationale Commissie voor feitenonderzoek. De leden van deze Commissie zijn in juni van dit jaar verkozen en zij is dus beschikbaar voor partijen die erom vragen.

Joegoslavië heeft bij haar bekrachtiging van Protocol I in 1979 de bevoegdheid van de Commissie niet op voorhand erkend en ook nu hebben de autoriteiten van de betrokken (deel)republieken haar (nog) niet verzocht een onderzoek naar bepaalde welomschreven beschuldigingen in te stellen. Wel houdt de kwestie van de schendingen deze autoriteiten kennelijk bezig, getuige de aanbeveling in hun verklaring van 27 november om te komen tot een procedure waarlangs beweerde schendingen van het internationale humanitaire recht kunnen worden overgebracht.

Hun verklaring bevat nog twee andere aanbevelingen: een, om een gezamenlijke commissie in te stellen voor de opsporing van vermiste personen (een taak waarbij zij zullen kunnen samenwerken met de Central Tracing Agency van het ICRC), en de andere om meer te doen aan de verspreiding van kennis van het humanitaire recht onder alle combattanten en voor de eerbiediging van het rode kruis-teken. Twee aanbevelingen die in een land in oorlog hun volle gewicht krijgen maar die ook in meer vreedzame omstandigheden niet genoeg kunnen worden onderstreept.