Pensioenfonds furieus over "ordinair' kabinetsplan; PGGM weigert "bijdrage' aan loonsverhoging in gezondheidszorg

ZEIST, 10 DEC. “Minister De Vries van sociale zaken is een politicus. Hij kijkt naar de korte termijn. Ik ben directeur van een pensioenfonds. Ik kijk naar de verplichtingen op lange termijn.” Een dag voor de behandeling van de begroting van Sociale Zaken in de Tweede Kamer is PGGM-directeur drs. D.J. de Beus “ontstemd, verbaasd, en eigenlijk ben ik gewoon kwaad”.

Het Pensioenfonds voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschapppelijke belangen (PGGM) moet van De Vries de komende drie jaar namelijk 1,5 miljard gulden vrij maken voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers in de gezondheidszorg, de bejaardenoorden en het welzijnswerk.

“Een ordinaire greep in onze kas omdat de overheid haar zaakjes financieel niet op orde heeft”, oordeelt De Beus. In zijn ruime werkkamer - zwart leer, glas, chroom, en een Karel Appel aan de wand - uit de 45-jarige directie-voorzitter zijn ongenoegen.

Voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden in de zogenoemde gepremieerde en gesubsidieerde sectoren heeft het kabinet voor volgend jaar 3,75 procent gereserveerd. In de plannen van de minister van sociale zaken wordt 2,5 procentpunt opgebracht door een verlaging van de pensioenpremie. Verder rekent het kabinet op een daling van het ziekteverzuim van 0,5 procentpunt; deze kostenbesparing wordt gebruikt voor de verbetering van de arbeidsvoorwaarden. De rest - 0,75 procentpunt, ongeveer 150 miljoen gulden - komt voor rekening van het rijk.

“Het bestuur van het PGGM heeft reeds besloten volgend jaar de premie te verlagen van 8,0 naar 7,3 procent”, legt De Beus uit. “Minister De Vries vindt dit niet genoeg. Hij wil de premie verder verlagen, want de reserves van het PGGM overtreffen volgens hem de pensioenverplichtingen. Aan de andere kant zegt diezelfde minister dat deze verlaging tot een premie zou kunnen leiden die op de lange termijn niet kostendekkend is. Met ander woorden: na verloop van tijd moet de premie weer omhoog. In een gesprek waarin de minister een toelichting gaf op zijn plannen, zei de bewindsman dat hij niet anders kan, want 1992 is voor de overheid een rampjaar.”

Het PGGM is in 1970 ontstaan uit een fusie van de protestantse, katholieke en sociaal-democratische pensioenfondsen voor de "zorgsectoren'. Op dit moment heeft het fonds een belegd vermogen van ongeveer 40 miljard gulden en verzorgt het de pensioenen voor ongeveer 850.000 werknemers en oud-werknemers in de gezondheidszorg, het welzijnswerk en de bejaardenzorg.

Het fonds heeft volgens De Beus een betrekkelijk gunstige periode achter de rug: een lage looninflatie en een relatief hoge rente. De total return bedraagt sinds de oprichting 8,1 procent. “Een gunstig beleggingsresultaat vertaalt zich in lagere premies. Geleidelijk is de premie verlaagd van 25 procent begin jaren tachtig naar 8,0 procent op dit moment en volgend jaar 7,3 procent. Gezien de samenstelling van het bestuur - vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers - heeft het PGGM belang bij een zo laag mogelijke premie.” Bits: “Daar hebben we de minister van sociale zaken niet voor nodig”.

Kan de minister van sociale zaken om de PGGM te dwingen de premie verder te verlagen dan de geplande 7,3 procent? “Niet rechtstreeks”, zegt De Beus resoluut. “De Vries erkent voluit dat het bestuur van het PGGM een eigen verantwoordelijkheid heeft met betrekking tot het vaststellen van de hoogte van de premie. Dit is vastgelegd in de pensioen- en spaarfondswet van 1952: de overheid mag zich formeel niet bemoeien met de hoogte van de premie. Indirect kan De Vries echter proberen zijn zin door te drijven door te weinig geld beschikbaar te stellen voor het arbeidsvoorwaardenoverleg. Werkgevers en werknemers worden dan voor een lastige opgave geplaatst. Aan de ene kant zijn ze overeengekomen dat de lonen in de zorgsectoren gelijk op moeten gaan met de lonen in het bedrijfsleven. Aan de andere kant stelt de overheid daar te weinig geld voor beschikbaar.”

Gezien de pensioenverplichtingen van het PGGM kan het fonds niet “buigen” voor de “financiële nood” van het kabinet Lubbers-Kok. De huidige impasse is niet uniek, legt De Beus uit. Eind jaren tachtig deed het CDA-VVD-kabinet een dringend beroep op het pensioenfonds om de premie te verlagen. “We hebben toen één keer een premieverlaging eerder doorgevoerd. Op basis van onze berekening kwamen we tot de conclusie dat in de drie opeenvolgende jaren de premie omlaag kon. Daar hebben we een voorschot op genomen door de premie in één stap te verlagen naar 14 procent.” Maar op dit moment heeft het fonds te maken met een heel andere rekensom, meent De Beus “Tot nu toe hebben we de econoom De Vries echter niet kunnen overtuigen. Harde bewijzen moeten het afleggen tegen politieke willekeur.”

Hij geeft toe dat het politieke meningsverschil kan ontstaan door de gehanteerde financieringsmethode van pensioenen: het kapitaalkdekkingsstelsel. “Een perfect systeem”, oordeelt De Beus “maar moeilijk uit te leggen hoe je de premiehoogte bepaalt. Bij een omslagstelsel is het simpel. De premiebetalers brengen jaarlijks het bedrag op waar de uitkeringsontvangers recht op hebben. Daar is geen speld tussen te krijgen. Bij een kapitaaldekkingsstelsel spaar je voor je pensioen en werk je met veel veronderstellingen.”

Een voorbeeld. Bij de oprichting van het PGGM in 1970 bedroeg de rente 8,6 procent en de loonstijging 9,8 procent. In dat jaar kwam het fonds 1,2 procentpunt "tekort'. Tien jaar later lag de verhouding omgekeerd: de rente was 10,3 procent en de loonsverbetering 2,2 procent: het fonds hield 8,1 procentpunt over. Een "hoogtepunt' was het jaar 1984: de rente was 8,6 procent en de lonen daalden met 3,0 procent: het fonds hield 11,6 procentpunt over. Vorig jaar hield het pensioenfonds 4,7 procentpunt over.

Het PGGM heeft een eigen methodiek ontwikkelt om te zorgen dat deze schommelingen zich niet jaarlijks in grote premie-fluctuaties vertalen. “We werken met een "financiële grondwet' waardoor we calamiteiten kunnen opvangen. Saillant is dat Sociale Zaken waardering heeft voor onze berekeningsmethode - ze typeert de financiële grondwet als "adequaat' - maar de rekenmeesters van Sociale Zaken zijn het niet eens met de uitkomst.” Wellicht denken de parlementariërs daar dezer dagen anders over.