Niet langer met de rug naar Europa

Nederland is een natie die eeuwenlang vastberaden met de rug naar het Europese continent toe heeft gestaan. Toen het in de zeventiende eeuw, na een strijd van bijna honderd jaar, eindelijk geheel onafhankelijk en soeverein werd, zocht en vond het zijn heil en welvaart niet op het Europese continent, maar op zee en elders in de wereld. Lange tijd had het dan ook geen ambities op het territoriale vlak; het had genoeg aan zichzelf en wilde slechts met rust worden gelaten .

Twisten met buurlanden in Europa eindigden voor Nederland min of meer met de bevestiging van de situatie zoals die daarvoor was geweest: de grote oorlogen ten tijde van Lodewijk de Veertiende werden allemaal bijgelegd op het grondgebied van de Republiek van de Verenigde Provinciën, met het Verdrag van Nijmegen (1678), Rijswijk (1697) en Utrecht (1713); met een zucht van verlichting konden de Nederlanders hun maritieme en commerciële activiteiten weer oppakken, de bewoners van het continent ruziënd achter zich latend.

Hun echte tegenstanders waren de Britten, met wie ze in iets meer dan honderd jaar maar liefst vier oorlogen voerden - oorlogen op zee wel te verstaan. In de Napoleontische tijd werd deze maritieme oriëntatie tegengewerkt, om onmiddellijk na 1813 weer te worden voortgezet. De Nederlanden kwam uit deze woelige periode groter tevoorschijn dan tevoren, door de toevoeging van de zuidelijke Nederlanden, het huidige België. Bovendien was het een belangrijke koloniale macht geworden, doordat de Verenigde Oostindische Compagnie was vervangen door het directe bestuur van het moederland over het huidige Indonesië en andere gebieden in de wereld.

Het koloniale rijk zou nog bijna honderdvijftig jaar standhouden, de unie met België ging echter reeds na vijftien jaar ter ziele. Als klein landje op het continent en grote mogendheid elders in de wereld voelden we ons veel gelukkiger. Terwijl we een republiek waren toen overal elders het koningschap veranderde in absolute monarchie, werden wij pas een monarchie toen de republikeinse neigingen steeds sterker werden. In feite is Nederland een gekroonde republiek, terwijl het Frankrijk van de Vijfde Republiek voor ons bepaalde trekken vertoont van een republikeinse monarchie. In onze cultuur van stedelijke burgers - nergens in Europa vindt men zo'n concentratie van steden, en dat is al zo sinds de middeleeuwen - speelden ambtenaren en burgers al heel vroeg een hoofdrol, met immer een wantrouwende blik gericht op een te centralistische of te pretentieuze macht. Wij zijn volkeren die op zeer verschillende wijze zijn gevormd door de geschiedenis.

Maar, minder lang geleden, heeft de geschiedenis ons ook nader tot elkaar gebracht. Allereerst onder de dramatische omstandigheid van de Duitse bezetting, vanaf 1940. De stem van France Libre wekte in Nederland al snel veel sympathie op, ja zelfs bewondering. We waren destijds blij te kunnen constateren dat er behalve Vichy-Frankrijk nog een ander Frankrijk bestond, dat van De Gaulle, het verzet en de maquis. Veel Nederlanders konden, via Frankrijk en dank zij de moedige steun van Franse verzetsmensen, de vrijheid bereiken en zich voegen bij de vrije Nederlandse troepen in Groot-Brittannië. De oorlog heeft enorme gevolgen gehad voor Nederland. Hij maakte een einde aan de illusie - die overigens eeuwenlang leek gestaafd door door onze geschiedenis - dat we aan de rand van het continent konden leven, terwijl we ons afzijdig hielden van de gebeurtenissen achter onze rug. Bovendien werd, voor ons allemaal, het einde van de oorlog weldra gevolgd door het einde van het koloniale tijdperk.

We moesten dus elders steunpunten zoeken. In eerste instantie hadden we gehoopt, zoniet erop gerekend, dat de Britten het initiatief zouden nemen tot een gestructureerde samenwerking tussen de Europese naties die vrij gebleven waren na de deling van Europa door Stalin. We waren oprecht verbaasd toen dat initiatief, nadat de grondslag daarvoor was gelegd door het beheer van de Marshall-hulp in handen te geven van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, van Frankrijk kwam, met de verklaring van minister Robert Schuman op 9 mei 1950. De verklaring was geïnspireerd op Jean Monnet, die, midden in de oorlog, in Noord-Afrika de volgende gedachte had opgetekend: “Er zal in Europa geen vrede zijn als de wederopbouw van de staten wordt gebaseerd op nationale soevereiniteit. De Europese landen zijn te klein om hun volken de welvaart te garanderen die mogelijk en dus noodzakelijk is. De anderen - de Engelsen, de Amerikanen en de Russen - hebben hele werelden voor zichzelf waarin ze zich tijdelijk kunnen terugtrekken. Frankrijk zit vast aan Europa, het kan niet ontsnappen”. Dat was - en is - ook precies de situatie waarin mijn land sinds de Tweede Wereldoorlog verkeert.

Vanaf 1952 was Nederland dan ook partner van Frankrijk in de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.

Aanvankelijk voelden niet alle Nederlanders, met hun van oudsher meer overzeese dan continentale oriëntatie, zich op hun gemak in dat Europa van de Zes; maar de dynamiek van de Europese integratie die de Gemeenschap voor Kolen en Staal veroorzaakte en het vooruitzicht van open grenzen, waarvoor wij zo lang tevergeefs hadden gepleit, maakte van ons hartstochtelijke voorvechters van de communautaire methode. Hoewel we het jammer vonden dat de Britten het spel niet met ons wilden meespelen, konden we niet op hen wachten. Zo ontstond in 1957-'58 de Europese Economische Gemeenschap, bestaande uit zes leden.

Binnen de EEG bouwden Frankrijk en Nederland een zeer goede verstandhouding op op het gebied van landbouwvraagstukken. Over de wereldhandel constateerde Nederland tevreden dat deze geen tegenslagen ondervond door de vorming van een gemeenschappelijk markt, maar dat zowel de internationale handel als de handel binnen de Gemeenschap een opmerkelijk groei doormaakten. Toen het Frankrijk van generaal De Gaulle eveneens een bijdrage leverde aan het welslagen van de eerste ronde van de grote wereldhandelsbesprekingen - de Kennedyronde - was de ongerustheid van Nederland dat de Gemeenschap van de Zes protectionistisch zou kunnen worden grotendeels weggenomen. Bovendien ging Frankrijk akkoord met de verkorting van twaalf tot 10,5 jaar van de overgangsperiode voor de instelling van de gemeenschappelijke markt. Nederland, zich bewust van het feit dat de generaal aanvankelijk weinig enthousiasme had getoond voor het ontwerp van een communautair Europa, kwam dan ook tevreden tot de conclusie dat Frankrijk onder De Gaulle een wezenlijke bijdrage leverde aan zowel de interne versterking van de Gemeenschap als de werking naar buiten toe.

Onze landen konden het daarentegen niet eens worden over de houding die zij moesten aannemen ten opzichte van de Britten - toen die eenmaal bereid waren om te onderhandelen over hun toetreding tot de Gemeenschap - noch over de institutionele problemen van de werkwijze van de EEG, in dit geval de stemming bij gekwalificeerde meerderheid in de raad van ministers. Deze geschilpunten uit de jaren zestig behoren nu tot het verleden: de Britten zijn al bijna twintig jaar lid en de huidige discussie over stemming bij gekwalificeerde meerderheid gaat niet over het onderwerp op zichzelf, maar over de uitbreiding daarvan buiten het in het verdrag daarvoor aangegeven terrein. Ik vraag me af of er nog sporen zijn van die oude meningsverschillen. Mijn antwoord zou zijn: niet over de vragen zelf, maar zeker wel over de manier waarop tegen de problemen wordt aangekeken.

Dat valt overigens gemakkelijk te verklaren: Hoewel wij beide aan de rand van het Euro-Aziatische continent liggen, heeft Frankrijk een veel continentalere traditie dan Nederland. Dat wil niet zeggen dat wij minder Europees zijn, maar wel dat onze visie op Europa niet altijd op alle punten gelijk is aan die van Frankrijk. Het zou overigens vreemd zijn als de diverse lidstaten niet hun respectieve erfenissen zouden inbrengen in deze gemeenschappelijke onderneming. Zo is er binnen de Gemeenschap en in de lidstaten, waaronder Nederland, een langdurig debat geweest tussen de "Atlantici' en de "Europeanen'. Naar mijn mening heeft dit debat, zo het al niet bijna afgelopen is, dan toch in elk geval aan hevigheid ingeboet. Het is vrijwel zeker dat in Maastricht een tekst wordt aangenomen over de Europese identiteit, over de veiligheid en zelfs defensie. Anderzijds stevent men in de WEU snel af op een uitgebalanceerde definitie van de banden met de Gemeenschap van de Twaalf en de relatie met de NAVO, die bezig is een nieuwe strategie uit te stippelen. De werkelijkheid van de jaren negentig dwingt ons er simpelweg toe de Europese solidariteit te versterken, met behoud van onze band met Amerika.

Over de Europese instellingen daarentegen bestaan nog forse tegenstellingen. Nederland hecht meer aan de institutionele ontwikkeling van de Gemeenschap dan de opeenvolgende regeringen van de Vijfde Republiek. De Nederlandse regering en ons parlement betreuren het zeer dat de onderhandelingen over de Europese Politieke Unie, dat wil zeggen over het buitenlandse en veiligheidsbeleid alsmede de samenwerking van politie en justitie, niet worden gevoerd binnen hetzelfde eenvormige institutionele kader als dat van de grote interne markt van 1992.

Door zich te beperken tot al te intergouvernementele procedures loopt men het risico een toekomstige ontwikkeling naar meer eenheid en meer samenhang te blokkeren en de gefaseerde ontwikkeling van een traditie van parlementaire controle op Europees niveau wordt op die manier ernstig bemoeilijkt. Een systeem van eenvoudige samenwerking tussen regeringen, zonder de discipline, de structuren en de openbare discussies die eigen zijn aan het model van gemeenschappen, loopt het gevaar uitsluitend te berusten op de vorming van coalities en onderonsjes. Inderdaad staan de grootste lidstaten in dit spel sterker dan de kleintjes. Maar coalities blijven altijd onzeker, er kan een breuk ontstaan, ze zijn niet noodzakelijkerwijs uit op het algemeen belang. Daarom blijft de integratie van de Europese Commissie en van het Europese Parlement in de EPU voor Nederland een heel belangrijke doelstelling. In Maastricht zal het moeten blijken.

Deze inleiding hield hij onlangs op een Frans-Nederlands symposium in Den Haag.