Moermantherapie

Het is niet van belang of iemand door of ondanks een therapie kanker heeft overwonnen, maar of deze therapie een bijdrage kan leveren in de strijd tegen kanker.

In de door Wim Köhler genoemde studie (NRC Handelsblad, 2 december) wordt door een aantal praktijkgevallen aangetoond, dat dit het geval is.

Iedereen die te maken heeft met kankerpatiënten zal toegeven, dat er tegen kanker geen effectieve methode is gevonden. Men probeert zo goed mogelijk te behandelen met de beschikbare middelen. Sommige middelen hebben een zekere schadelijkheid voor de patiënt, waardoor de kwaliteit van zijn leven kans loopt te verminderen. Veel behandelwijzen, die regulier worden toegepast, hebben ook niet de intentie genezend te zijn, maar slechts palliatief (= verzachtend ofwel levensverlengend). De Moermantherapie is wel bedoeld als genezingsmethode, al moet ik toegeven dat het genezingspercentage ook niet hoog ligt.

Voor degenen die worden behandeld is het niet bevordelijk om methodes tegenover elkaar te zetten als ware het een wedstrijd. Kankerpatiënten die voor hun overleving willen vechten, zullen het toejuichen, dat er methoden zijn om dat mee te doen. De Moermantherapie is een van die methoden en in de studie van S. de Graaf e.a. is dat aangetoond. Natuurlijk zijn er vele andere reguliere en alternatieve methodes, die voor een deel hun nut hebben. De behandelend arts zal met zijn patiënt een keuze moeten maken.

In de praktijk van de kankerbehandeling, zeker als er gebruik wordt gemaakt van niet-reguliere methoden, zullen er meestal meer behandelaars zijn en zal de patiënt op meer manieren tegelijk wordt behandeld. We kunnen dan ook beter spreken van additieve therapieën dan van alternatieve, omdat de laatste term sugereert, dat het om een of-of gaat en het in de praktijk meestal en-en is. Hierdoor is het zo moeilijk om patiënten te vinden, die door alleen de Moermantherapie genezen waren.

2 Bij zijn argumentatie over de voors en tegens van de Moermantherapie bedient W. Köhler zich onder meer van eenvoudige kansberekening. Op één punt lijkt daarin een misverstand te zijn opgetreden. Köhler schat de kans op genezing bij toepassing van de Moermantherapie uit de verhouding van, enerzijds het aantal gevallen waarbij genezing samen met de toepassing van de therapie voorkomt en anderzijds het totaal aantal overleden kankerpatiënten. Beide aantallen hebben betrekking op dezelfde periode van vijftig jaar.

Deze aanpak levert alleen dan een juiste schatting van de kans op genezing indien het aangehouden aantal overlijdens uitsluitend betrekking heeft op patiënten die de Moerman-therapie gevolgd hebben. Uit de tekst van het artikel van Köhler blijkt echter dat hij is uitgegaan van het totaal aantal overleden kankerpatiënten, dus inclusief het aantal dat op andere wijze is behandeld. Een juiste schatting zal daarom hoger liggen dan de door Köhler genoemde 0,002 procent.

Terughoudendheid bij de interpretatie van het zo verkregen resultaat is overigens op z'n plaats. Op grond van de uitkomst kan het hooguit meer of minder waarschijnlijk worden geacht dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen toepassing van de therapie en het optreden van genezing. Vervolgens kan deze waarschijnlijkheid meetellen in de afweging om wel of niet tot nader onderzoek over te gaan.

Meer lezers hebben gereageerd op een vermeende rekenfout. Ik heb in mijn berekening echter geprobeerd de Moermantherapie en de reguliere behandeling gelijkwaardig te behandelen. De 40% genezingskans bij een reguliere therapie is het resultaat van de Eindhovense kankerregistratie waarbij de vijfjaarsoverleving is vastgesteld van alle mensen bij wie de diagnose kanker is gesteld. Ook van hen werd een zeker percentage (13%) niet behandeld. Voor de berekening van de genezingskans van het Moermandieet ben ik daarom ook van de hele populatie kankerpatiënten uitgegaan. Er bestaat in Nederland vrije artsen- en therapiekeuze. Het feit dat mensen niet voor een bepaalde therapie kiezen verlaagt de kans dat een deel van de populatie erdoor geneest. Mijn conclusies baseerde ik op de genezing in de behandelde groep (10% van het totaal). Er moeten 5.000 patiënten worden behandeld om er één te genezen. Daaruit concludeer ik dat Moerman niet in een basisverzekering thuis hoort, verder onderzoek niet uitvoerbaar is, en als belangrijkste: de genezingskans van Moermantherapie is zo gering dat je als kankerpatiënt wel erg sterk in je schoenen moet staan om er nog hoop op genezing uit te putten.

Wim Köhler