"Meesterwerk mag niet lijden onder gekonkel'

AMSTERDAM, 10 DEC. “Er moeten zo snel mogelijk echte deskundigen aan het werk om te kijken of het schilderij "Who's Afraid of Red, Yellow, and Blue III' nog te redden valt.” Dat zegt hoofdrestaurateur M. Bijl van het Rijksmuseum in Amsterdam. “Je kunt een meesterwerk niet aan gekonkel ten onder laten gaan.”

Bijl vindt dat het college van B en W directeur dr. W.A.L. Beeren van het Stedelijk Museum, die nog steeds achter het eindresultaat van de restauratie zegt te staan, te lang de hand boven het hoofd houdt. Daardoor verloopt de politieke besluitvorming volgens hem te traag. “Hoe langer het duurt, hoe groter de kans dat het schilderij verloren gaat”, aldus Bijl.

Hij heeft ook kritiek op de samenstelling van de commissie, die de restauratie heeft begeleid. “Er zat maar één echte restauratiedeskundige in, maar die werd het zwijgen opgelegd”, zegt hij. Vandaag praatten B en W verder over de conclusies van het onderzoek door het Gerechtelijk Laboratorium, waaruit bleek dat restaurateur Goldreyer het doek met huisschildersverf had overgeverfd.

Annalee Newman, de weduwe van de schilder, was gisteren nog niet op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. “Het schilderij was er heel slecht aan toe, ik vond dat Goldreyer zijn werk goed had gedaan. Hij heeft mij verteld, dat hij er een beschermende laag op had aangebracht”, aldus mevrouw Newman, die verder geen commentaar wilde geven.

Uit een vergelijking van de rapportages van Goldreyer en Beeren blijkt, dat in de tijd dat Goldreyer met het verven van het schilderij bezig was, geen lid van de begeleidingscommissie op bezoek is geweest. Ook was er volgens de rapporten, in die achteraf zo belangrijk gebleken periode, geen briefwisseling totdat Goldreyer in februari 1991 schreef dat het schilderij klaar was. De commissie bestond uit Beeren, hoofdrestaurateur E. Bracht, drs. R. Dippel, hoofd afdeling schilder- en beeldhouwkunst en A. Jansen, hoofd secretarie afdeling kunstzaken van de gemeente.