Joods museum Berlijn van Daniel Libeskind wordt toch gebouwd

BONN, 10 DEC. Berlijn moet in elk geval in 1993 met de bouw van een nieuw joods museum beginnen. Die opdracht heeft het stadsbestuur van Berlijn, de Senaat, gekregen in een unaniem aangenomen motie van het Abgeordnetenhaus.

Het Senaat had deze zomer besloten de bouw van het museum, naar een in 1989 bekroond ontwerp van de Pools-Amerikaanse architect Daniel Libeskind, tot tenminste 1995 uit te stellen.

Het stedelijke parlement heeft zich niet begeven in de vraag hoe de bouw moet worden gefinancierd. De budgettaire nood van Berlijn was voor het Senaat juist de reden om een aantal grote projecten, waaronder het project-Libeskind, te schrappen of uit te stellen. Het ontwerp van Libeskind is begroot op 118 miljoen mark (prijspeil 1989).

Dat het Abgeordetenhaus nu, drie maanden later, toch staat op het begin in 1993 van de nieuwbouw van het joods museum, een uitbreiding van het Berlin Museum aan de Lindenstrasse, is volgens woordvoerder Klemke van de Berlijnse senator voor kunstzaken “voor een groot deel te danken aan de internationale kritiek op het eerdere besluit tot uitstel tot 1995”. Die kritiek, vooral afkomstig uit de VS, Israel, Frankrijk en Nederland (het Joods Historisch Museum in Amsterdam), “heeft ons reuze geholpen. Nu zal er elders in de begroting wel een ander project sneuvelen.” Aan "de politieke wil' die blijkt uit het unanieme verzoek van het stedelijk parlement kan de Senaat niet voorbijgaan, meent hij.

Op de Berlijnse begroting voor 1992 van 41,8 miljard mark gaapt al een tekort van vier tot vijf miljard. De economische vooruitzichten zijn gunstig, maar dat perspectief levert nog geen geld op, zeker niet zolang onzekerheden over de eigendomsverhoudingen van grond en panden particuliere investeringen remmen. Intussen moet Berlijn zwaar investeren in verbetering van haar infrastructuur, wat trouwens mede een reden is voor haar veel bekritiseerde kandidatuur voor de Olympische Spelen in het jaar 2000.

Mede omdat de regeringssubsidies uit Bonn als gevolg van de Duitse eenwording de komende jaren scherp zullen dalen, en omdat de stad hoge lasten moet dragen wegens de integratie van Oost- en West-Berlijn, moet het snoeimes zeer stevig door de uitgaven. In enkele jaren moet een bezuinigingsverplichting van circa zeventien miljard worden voldaan, onder meer door overheidsprojecten af te blazen of uit te stellen. Zo heeft Berlijn bijvoorbeeld na de hereniging dringend een nieuwe grote stedelijke bibliotheek nodig met filialen in Oost-Berlijn (waar sinds een jaar het aantal aanvragen met 150 procent is toegenomen).

Ook moeten tienduizenden overheidsbanen worden geschrapt. Daarbij gaat het niet slechts om het afslanken van het topzware ambtelijke apparaat in Oost-Berlijn, een erfenis uit DDR-tijden, maar ook om het schrappen van allerlei banen in onderwijs en gezondheidszorg, die Berlijn eigenlijk niet kan missen. Woordvoerder Klempke geeft per anekdote een voorbeeld van de soms paradoxale toestanden: “Er is hier in de stad een schouwburg met een oude lift die zes man personeel nodig maakt. De directie wil die banen wel schrappen op voorwaarde dat er een moderne automatische lift komt, die de mensen zelf kunnen bedienen. Maar dat kost twee miljoen, en dat geld is er dus niet.”

Ondanks een meevallende belastingopbrengst dit jaar (1,8 miljard extra) kan de stad haar begroting maar voor 11,8 procent uit eigen inkomsten financieren (in de "nabije' stad-staat Hamburg is dit percentage 68). Het besluit ten gunste van het project-Libeskind kost in 1992 overigens nog maar zestien miljoen, namelijk het bedrag dat in augustus werd bezuinigd.