Indonesië's snel rijzende ster

Toen ik vierentwintig jaar geleden De val van Soekarno schreef, leken de vooruitzichten voor Indonesië uiterst mager.

De inflatie bedroeg 750 procent per jaar en de rupiah stond op de zwarte markt op het dieptepunt van 70.000 per dollar, terwijl de "officiële' koers 45 bedroeg. Geen van deze akelige, statistische gegevens had verder enige betekenis voor de miljoenen die helemaal geen geld hadden en zich moeizaam ploeterend in leven hielden met de vruchten der aarde.

De nieuwe president was een legergeneraal zonder ervaring in de politiek, de diplomatie of de economie en er waren maar heel weinig mensen op wie hij konvertrouwen voor de expertise die nodig is voor het besturen van een uitgestrekte archipel met bijna honderd miljoen inwoners, van wie de meesten op Java samengepakt woonden. De voortekenen waren hopeloos. In de aard van de mensen school echter iets - een vriendelijke kracht en een soort nonchalance ten opzichte van hun lot - dat me onwillekeurig duidelijk maakte dat hun land en het leven van hun kinderen ten goede zou veranderen, eerder vroeger dan later.

Het gebeurt nogal eens dat zulke voorgevoelens worden gelogenstraft. Dit voorgevoel werd dat niet. De vooruitzichten van Indonesië zijn verbeterd, meer zelfs dan mensen die het beste met het land voorhebben, zoals ook ik, in hun stoutste dromen konden verwachten. Het is zelfs hard op weg een economische reus te worden. Met zijn enorme voorraden goede kwaliteit olie, zijn mineralen en vooral zijn rijkdom aan mensen die de afgelopen twintig jaar zijn opgeleid, zal Indonesië spoedig in de hele wereld worden bewonderd, niet slechts omn de stranden van Bali en soortgelijke clichés van de moderne wereld, maar om zijn politieke en economische macht.

Het regime-Suharto is erin geslaagd de basis van de economie radicaal te veranderen. Indertijd bracht olie zeventig procent van de valuta-verdiensten in het laatje. Nu is dat nog maar dertig procent, omdat het inkomen uit andere bronnen - die niet met olie te maken hebben - nu zeventig procent bedraagt. Daarbij zal het inkomen uit de olie zeker steeds nog aanzienlijk groeien: de Indonesische olie is relatief zwavelarm en brengt dus op de wereldmarkt veel op. De regering-Suharto is er bovendien in geslaagd een politieke stabiliteit te bereiken die buitenlandse investeerders bij bosjes naar Indonesië lokt en ze heeft een uitgebreid netwerk van berijdbare wegen aangelegd dat ertoe heeft bijgedragen dat Indonesië één natie is geworden.

Natuurlijk: niets is ideaal. De toename van de bevolking is onder controle gebracht, maar omdat de remmen zijn aangebracht toen die bevolking al zeer groot was, gaat het om enorme aantallen: ongeveer 170 miljoen. Het transmigratieprogramma waarmee Java moet worden ontlast, werkt, maar met horten en stoten omdat de opbouw van alternatieve groeicentra op de andere eilanden zeer veel te wensen overlaat. Er bestaat een politieke democratie die van bovenaf wordt geleid. Dat valt slecht bij Westerse journalisten en betweterige politieke wetenschappers, maar niet bij heel wat Indonesiërs die niet inzien waarom het belangrijkste instrument van sociale verandering - de regering - zo nodig moet worden aangevuld met een officiële oppositie waarvan de belangrijkste taak bestaat uit het blokkeren en omverwerpen van de regering. Er worden pogingen ondernomen om de revenuen van de groei ook buiten het leger en zijn aanhang te verdelen, maar economische democratie is nog een droom in de ogen van koffiedik-kijkers. Onder hen, en natuurlijk onder de studenten, wordt gemopperd. Maar niet erg luid.

De komende paar jaar kunnen we verwachten dat het internationale profiel van Indonesië zich scherper gaat aftekenen en dat de Indonesische bijdrage aan de wereldeconomie en de wereldpolitiek in gewicht gaat groeien. Minister van buitenlandse zaken Alex Alatas is er al in geslaagd de betrekkingen van zijn land met Zuidoost-Azië en het Verre Oosten te wijzigen. China wordt niet langer gezien als een ideologisch monster en de handel tussen beide landen neemt toe. Met president Suharto's steun is hij in staat geweest de buitengewone verandering te forceren waarvan we getuige zijn in Cambodja en in de relaties van Zuidoost-Azië met Vietnam. Binnenkort kunnen we mogelijk zien hoe Indonesië zijn gewicht binnen de Associatie van Zuidoost-Aziatische Naties (ASEAN) tot gelding brengt, net zoals India dat doet binnen de SARC, de pendant van de ASEAN in Zuid-Azië. Men mag hopen dat Indonesië wijs genoeg zal zijn om zijn kleinere partners niet te bedreigen met primitief gigantisme, zoals India onder Rajiv Gandhi heeft gedaan op het subcontinent. Als de regering de kwaliteit van de vriendelijke kracht van de bevolking tot uiting brengt in de relatie met haar buren, zal ze die fouten vermijden.