Grote regisseur

Van een afstand is het boeiend Bert de Vries bezig te zien als de grote regisseur van het overleg- en onderhandelingsspel.

Het begon ermee dat hij dreigde de sociale premies te verhogen als boete op te hoge loonstijgingen. Dat waren stijgingen die boven de drie procent uitgingen en daardoor de koppeling met de sociale uitkeringen in gevaar zouden brengen. De werkgevers kwamen onmiddellijk in opstand. Zij betichtten het kabinet in strijd te handelen met de doelstellingen van het op 1 december 1989 gesloten Gemeenschappelijk Beleidskader. Ze spraken hun vrees uit voor een trendbreuk, namelijk een structurele verhoging van de lastendruk en in samenhang daarmee hernieuwde centralistische tendensen in de sfeer van de arbeidsverhoudingen en de loonvorming.

Vervolgens kwam de bestrijding van het ziekteverzuim op de agenda. De Vries bedacht de parapluwet om werkgevers en werknemers te dwingen er serieus werk van te maken. Dit wetje zou alle afspraken over aanvullende ziekengelduitkeringen ongedaan maken na afloop van een contract.

De Vries leverde zijn meesterstuk af. Zijn regie slaagde wonderwel. Hij kreeg de hoofdrolspelers zover een centraal akkoord te sluiten. Ze kwamen daarin overeen bij de CAO-onderhandelingen afspraken te maken om het ziekteverzuim terug te dringen door middel van "arbeidsvoorwaardelijke stimulansen' in geld of vrije tijd.

De regisseur zag tevreden dat zijn acteurs bereid waren het spel volgens zijn regels te spelen en trok zijn wetsvoorstel in. De paraplumoord à la bulgare op de vrije, decentrale CAO-onderhandelingen ging niet door.

Inmiddels heeft de minister volop redenen toch te twijfelen of zijn regie-aanwijzingen voldoende zullen worden opgevolgd in de onderhandelingen. Verscheidene bonden geven blijk van zulke tegenzin tegen de "arbeidsvoorwaardelijke stimulansen' die ze van hun centrales zouden moeten toepassen, dat het nog niet zo zeker is of er toch geen aanvullingen op het tot 78 procent van het loon verlaagde wettelijke ziekengeld zullen worden overeengekomen. Daardoor zou zijn hoofdopzet, het verminderen van de inactiviteit, toch nog mislukken en het mooie stuk dat hij wil opvoeren als een baksteen vallen.

Regisseur De Vries bedacht iets anders. Hij opperde de mogelijkheid CAO-bepalingen over aanvulling van het ziekengeld niet algemeen verbindend te verklaren. Die bepalingen behoeven dan niet voor een hele bedrijfstak te gelden. Ondernemingen, die geen partij zijn bij de CAO, kunnen zelf bepalen hoe zij het ziekteverzuim willen aanpakken.

De regie van de minister van sociale zaken en werkgelegenheid was tot nu toe zo knap, omdat hij erin slaagde de loononderhandelingen te sturen, zonder de indruk te wekken dat hij van plan was direct in te grijpen. Hij wist de illusie van de onderhandelingsvrijheid nog hoog te houden.

Nu de minister werkelijk dreigt met ingrijpen blijft het opmerkelijk stil aan de kant van de werkgevers. Ze laten geen woord van protest meer horen. Sterker nog, in hun onlangs gepubliceerde nota arbeidsvoorwaardenbeleid 1992 doen de centrale werkgeversorganisaties weer allerlei aanbevelingen aan de CAO-onderhandelaars, die verdacht veel lijken op het uitzetten van een gecoördineerde strategie.

Dat geldt zeker voor de beperking van het ziekteverzuim. Volgens de werkgeversverbonden is het van groot belang dat er afspraken tot stand komen over de invoering van wachtdagen op kosten van de werknemer, het verlagen van de aanvullende ziekengelduitkeringen, het aanbrengen van een relatie tussen het aantal verzuimdagen en het aantal vakantiedagen of roostervrije dagen en het toekennen van financiële voordelen aan werknemers bij het dalen van het ziekteverzuim.

Deze aanbevelingen van de werkgevers passen overigens geheel in het akkoord dat in de Stichting van de arbeid werd gesloten. Ook het idee van De Vries om CAO-afspraken over aanvullende ziekengelduitkeringen niet algemeen verbindend te verklaren is volstrekt niet in strijd met dat akkoord. Integendeel, zo'n maatregel zou door dat akkoord gelegitimeerd worden. Werkgevers en werknemers hebben immers verplichtingen op zich genomen om het ziekteverzuim terug te dringen. Houden de onderhandelaars op decentraal niveau zich niet aan die centrale afspraken, dan dienen zij te worden teruggefloten.

Dit neemt niet weg dat er duidelijk sprake is van een spanningsveld tussen het centrale en decentrale niveau.

De politicoloog H. Slomp meent dat van een politisering van het arbeidsvoorwaardenoverleg kan worden gesproken. Waarschijnlijk had hij gelijk toen hij de verwachting uitsprak dat de bemoeienis van de politiek met de loonvorming weer zal toenemen. De kans daarop neemt toen indien de maatregelen van de overheid om het ziekteverzuim te beperken zullen leiden tot een strijd tussen werkgevers en werknemers met als gevolg een loonstijging die hoger is dan voorzien. Wanneer deze strijd ontaardt in een zwartepietenspel, zoals de voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid, prof. Rutten, vreest, dan komt het eind van de onderhandelingsvrijheid in zicht.