Fiat voor Brede Herwaardering beëindigt lijdensweg van vier jaar

DEN HAAG, 10 DEC. Eindelijk is het dan zover. Vanmiddag spreekt de Eerste Kamer over het wetsvoorstel inzake de Brede Herwaardering, dat zich toespitst op de fiscale aftrek van lijfrente-premies. Als de Senaat akkoord gaat - en daar ziet het alleszins naar uit - gaat de nieuwe wet per 1 januari 1992 in en komt er een eind aan een lijdensweg van ruim vier jaar.

Vanaf 1 januari zal de jaarlijkse premiebetaling bij een lijfrentepolis niet langer tot een maximum van ruim 17.000 gulden fiscaal aftrekbaar zijn, maar tot een maximum per persoon van 5.000 gulden. Tenzij men kan aantonen dat dit onvoldoende is voor een fatsoenlijke oudedagsvoorziening, zoals het geval is bij een werknemer die te maken heeft met een pensioenbreuk of een zelfstandige die in het geheel geen pensioenrechten heeft opgebouwd. Dan komt men terecht in trap twee van een drietrapsraket, wat betekent dat men nog eens 25 procent van het persoonlijk inkomen mag aftrekken voor zover dit de 50.000 gulden te boven gaat. Tenslotte is er de derde trap voor veertig-plussers. Wie zo oud is èn kan aantonen dat hij-zij in het verleden te weinig pensioenrechten heeft opgebouwd mag jaarlijks nog eens 10.000 gulden extra aftrekken.

Staatssecretaris Van Amelsvoort (CDA) van financiën hoopt dat de nieuwe wet een eind maakt aan de misstand dat belastingplichtigen die reeds voldoende oudedagsvoorzieningen hebben opgebouwd - bijvoorbeeld via een pensioen - niettemin profiteren van een fiscale aftrekmogelijkheid die in feite niet voor hen bedoeld is. In Nederland zijn de premies aftrekbaar en worden de uitkeringen volledig belast. Daardoor wordt in Nederland uitstel van belastingbetaling mogelijk.

De vele, vaak paginagrote, advertenties van verzekeraars laten zien dat de markt op dit terrein nog altijd niet is uitgeput. “U heeft nog 29 dagen om geen dief van uw eigen portemonnee te worden”, hield de Amev op dinsdag 3 december de lezer van deze krant voor.

Lijfrente-overeenkomsten die uiterlijk 15 oktober 1990 tot stand kwamen, en waarvan de premies sindsdien niet zijn verhoogd, vallen ook in de toekomst onder het oude fiscale regime. Dit geldt eveneens voor de overeenkomsten die na 15 oktober 1990 maar vóór 1 januari 1992 tot stand kwamen c.q. komen en waarvan in 1992 of later geen premies meer worden voldaan. Wie nu een verzekering koopt profiteert dus, zonder dat hij of zij iets moet aantonen, van de fiscale aftrek tot ruim 17.000 gulden.

Het is niet de eerste keer dat de media profiteren van de publiciteit die de verzekeraars zoeken. De ingangsdatum voor de nieuwe wet werd immers keer op keer uitgesteld, van 15 oktober 1990 naar 1 januari 1991, vervolgens naar 1 juli 1991 en tenslotte naar 1 januari 1992. Dat laatste uitstel had te maken met de behandeling in de Eerste Kamer. De dit voorjaar nieuw gekozen Senaat zag geen kans het wetsontwerp nog vóór 1 juli te behandelen. In zijn Memorie van Antwoord van 18 oktober jongstleden berekende Van Amelsvoort dat dit laatste uitstel de fiscus op kasbasis circa 100 miljoen gulden kost, waarvan 45 miljoen in 1992, opnieuw 45 miljoen in 1993 en nog eens 10 miljoen in 1994.

In feite ziet het wetsvoorstel dat nu op tafel ligt er geheel anders uit dan het oorspronkelijke “voorontwerp van wet”, dat in 1987 door de toenmalige staatssecretaris Koning (VVD) werd gemaakt, en dat op 27 juni 1989 leidde tot een wetsontwerp. In dat wetsontwerp stond het concept van het “natuurlijk maximum” centraal. Premies konden alleen fiscaal aftrekbaar zijn als aan een aantal strikte voorwaarden werd voldaan. De lijfrentepolis moest bijvoorbeeld voorzien in regelmatige betalingen, of mocht een bepaald bedrag niet te boven gaan.

Op 29 oktober 1990 presenteerde Van Amelsvoort een Nota van wijziging, waarin het natuurlijk maximum werd vervangen door de eerder genoemde drietrapsraket. Op aandrang van de parlementariërs Vreugdenhil (CDA) en Vermeend (PvdA) werd de voorgestelde maximum-aftrek van 10.000 gulden, zeer tegen de zin van de staatssecretaris, verlaagd tot 5.000 gulden per persoon. Maar dit betekent wel een aftrek van 10.000 gulden voor een echtpaar.

Alle fracties in de Senaat twijfelden aan de uitvoerbaarheid van de nieuwe wet, omdat de gegevens die nodig zijn om te bepalen of iemand meer mag aftrekken dan 5.000 gulden (en dus gebruik maakt van trap twee of drie van de drietrapsraket) niet beschikbaar zijn. Staatssecretaris Van Amelsvoort stelde in zijn Nadere Memorie van Antwoord van 18 november weliswaar dat “wij er gezien de huidige stand van de techniek het volste vertrouwen in (hebben) dat deze gegevens tijdig door de pensioenfondsen zullen kunnen worden aangeleverd”, maar moest desgevraagd erkennen dat het ambtenarenpensioenfonds ABP daar in de praktijk nog niet in geslaagd was.

Per 1 januari 1992 is het woord dus aan de uitvoerders. De wetgever heeft zijn taak na ruim vier jaar hangen en wurgen voltooid.