Een groot verlangen naar luxe

De bode heeft de vier stoelen keurig naast elkaar in het gelid gezet voor het hekje van de Amsterdamse politierechter. Daarop moeten deze morgen plaatsnemen: de 35-jarige meneer Gerards uit Almere, zijn vrouw Hilde en haar iets jongere zuster Clara, en mevrouw Beemster, de 60-jarige moeder van beide vrouwen.

Gevieren worden zij beschuldigd van diefstal op één dag van de volgende zaken: bij V&D te Hilversum: twee doosjes met gedroogde bloemen, lippenstift, zes truien en sieraden; bij DA, drogist te Hilversum: een plastic kerstkrans, een potje met gedroogde bloemen, een doos met kraaltjes, een toilettas met inhoud, kaarsen, parfum en een badmuts; bij Blokker te Hilversum: een kaarsenstandaard, kurketrekkers en een set openers; bij Bart Smit te Hilversum: twee bouwpakketten; bij Maxis te Muiden: aardewerk, twee cd-spelers, oorbellen, vier paar schoenen, twee jassen, vier truien, een pullover, een cd.

In geld uitgedrukt: in Hilversum zou de familie voor enkele honderden guldens hebben gestolen, in Muiden voor duizend gulden.

Nooit eerder waren de vier verdachten met justitie in aanraking gekomen. Wat had hen bezield op die decemberdag vorig jaar, precies één week voor Kerstmis?

“We wilden met Kerstmis ook wat luxe hebben”, had meneer Gerards naderhand tegen de politie gezegd. Hij is timmerman, vader van twee kinderen en verdient 2.400 gulden netto per maand. Zijn vrouw heeft geen betaald werk, zijn schoonzus verdient als winkelbediende 1500 gulden per maand en zijn schoonmoeder, mevrouw Beemster, heeft na haar echtscheiding een bijstandsuitkering van 965 gulden per maand.

De dag vóór hun strooptocht waren ze bij elkaar gekomen. Toen zou het noodlottige besluit gevallen zijn. Het verlangen naar luxe moest voor één keer vervuld worden. Althans, dat is de lezing van meneer Gerards. Zijn vrouw ontkent het heftig. “We hebben niets afgesproken”, zegt ze tegen de rechter, mr. M. Diemer, die het gezelschap met milde verbazing beziet. “We zouden alleen naar Hilversum gaan om een reismand voor de poes te kopen.”

Hoe kon het dan zó uit de hand lopen?

“Je krijgt een black-out”, zegt mevrouw Gerards. “Je staat in de winkel en je ziet zoveel mooie dingen om je heen. Je past een jas en je weet dat je geen geld hebt om 'm op een eerlijke manier aan te schaffen.” Haar stem stokt. “Ik heb er nòg moeite mee”, zegt ze, “het is zó stom. Maar het is gebeurd.”

Haar zus Clara zegt: “Ik zag het andere mensen bij V&D ook doen. Ik dacht: gaat dat zó makkelijk.”

Meneer Gerards en zijn schoonzus Clara blijken het grootste aandeel in de diefstallen te hebben gehad. Mevrouw Beemster bleef in Hilversum alleen achter in het restaurant van V&D, terwijl haar getrouwde dochter, mevrouw Gerards, elders in het pand haar slag sloeg. Ondertussen waren meneer Gerards en Clara op andere plaatsen in Hilversum actief. Toen de zaken waren ingeladen, zette men koers naar Muiden. Daar sloeg de steelkoorts nog onverbiddelijker toe.

“In de Maxis ging het makkelijker”, zei Clara later tegen de politie. “Mijn zwager zou een cd-speler wegstoppen, terwijl ik op de uitkijk stond. Ik had toen al een gestolen jas, trui en schoenen aan. Mijn zwager droeg gestolen schoenen. Toen zijn we naar het restaurant gegaan. Daar zei ik: ik wil ook een cd-speler. En dat heb ik gedaan.”

Ook mevrouw Beemster kon zich bij Maxis niet langer bedwingen.

“U heeft een trui en schoenen aangetrokken”, zegt de rechter.

“Nee”, zegt mevrouw Beemster, “alleen een trui.”

Het eindigde in een catastrofe. Vier veiligheidsbeambten bij Maxis volgden drie familieleden - mevrouw Gerards zat in het restaurant te wachten - naar de auto. Zij gelastten opening van de kofferbak en namen vervolgens maatregelen die er niet om logen.

De drie familieleden werden meegenomen naar een kamertje en uitgebreid aan de tand gevoeld, nadat ze de gestolen kledij hadden moeten uittrekken. Daarna werden ze overgeleverd aan de politie van Weesp. Toen was de beurt aan mevrouw Gerards die nog in het restaurant zat.

“Opeens werd mijn naam omgeroepen”, vertelt ze. “Ik meldde me en ik moest mijn trui en jas uitdoen. Toen zei die beambte: "U moet uw rok uitdoen'. Dat wilde ik niet. Toen begonnen ze spottend te lachen. Ik heb toen gezegd wat ik gedaan had. Daarna belden ze de politie.”

De advocaat van de familie, mr. J. van den Berg, vindt dat de veiligheidsmensen bij Maxis veel te ver zijn gegaan. “Het bewijs is merkwaardig verkregen. Men heeft deze mensen onder grote druk twee uur lang verhoord. Verhoren, laten ontkleden - dat mag allemaal niet. Men had hen onverwijld aan de politie moeten uitleveren. Hier is geen sprake meer van in vrijheid afgelegde verklaringen. Eenmaal bij de politie hadden deze mensen een verzwakte uitgangspositie.”

De officier van justitie, mr. H. Oppe, is het niet met hem eens. “Ik noem dit geen verhoor. Die veiligheidsbeambten mogen vragen of bepaalde goederen zijn weggenomen.” Hij acht alle verdachten in dezelfde mate schuldig, ook al hebben mevrouw Beemster en mevrouw Gerards wat minder gestolen. “Het gaat er niet om wat ieder voor zich heeft genomen, maar wat in gezamenlijk verband is gebeurd. Het ging onder het motto "samen uit, samen thuis'. De goederen waren voor gezamenlijk gebruik, dat vind ik een belangrijk punt. Daarom eis ik fikse straffen. Voor ieder: drie weken voorwaardelijk en een geldboete van 750 gulden of vijftien dagen hechtenis.”

“Het is niet waar”, reageert mevrouw Beemster emotioneel. “Er is nooit gesproken over het verdelen van de buit. Mijn oudste dochter en mijn schoonzoon vormen een gezin en mijn dochter en ik zijn samen.”

De rechter acht het ten laste gelegde bewezen. “Er is samen en in vereniging diefstal gepleegd. Het is tevoren besproken. Men wist van elkaar exact wat men deed.” Dan zegt hij, een tikkeltje verontschuldigend: “Wat er op dat kantoor in Muiden is gebeurd, weet ik niet. Het staat niet in het dossier.” Hij veroordeelt de vier familieleden tot twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf en 600 gulden boete of twaalf dagen hechtenis.

De familieleden stommelen met hun advocaat stilletjes naar de deur. Mevrouw Beemster kijkt stug voor zich uit. In haar laatste woord had ze gezegd: “Wat me nog het meest heeft geschokt, was dat mijn dochter en schoonzoon naar het huis van bewaring werden gebracht. Alsof het moordenaars waren.”

Om redenen van privacy zijn de namen van de betrokkenen gefingeerd, of weggelaten, uitgezonderd de namen van de rechter, de officier van justitie en de advocaat.