Therapeuten tbs-kliniek machteloos tegenover recidives; "Al wordt een verkrachter maar winkeldief'

Onlangs bekende een oud-patiënt van de Van Mesdagkliniek in Groningen, die tot 1987 ter beschikking van de staat was gesteld, drie kinderen te hebben vermoord. De tbs van de man werd destijds door de rechter van Zwolle beëindigd, tegen de wens van de Van Mesdagkliniek. Tbs-klinieken beslissen vrijwel altijd de behandeling van tbs-gestelden voort te zetten. Steeds vaker besluit de rechter, tegen het advies van de kliniek in, de gedetineerde voortijdig in vrijheid te stellen.

Het gebeurde toen hij achttien jaar oud was. In, zoals hij het zelf formuleert, “een half bewuste opwelling” vermoordde Frans de ex-vriend van zijn moeder door met een mes herhaalde keren op hem in te steken. De rechter veroordeelde hem tot tbs. Sinds negen maanden vertoeft de nu 21-jarige jongen op de gesloten afdeling van de prof.mr. W.P.J. Pompekliniek in Nijmegen.

Staccato vertelt hij zijn levensverhaal: een litanie van geweld en agressie. Op zijn zesde jaar belandde hij in een internaat voor moeilijk opvoedbare kinderen. Soms keerde hij terug naar zijn moeder, die regelmatig relaties had met mannen die haar bedreigden of mishandelden. Als kind verscheen hij diverse malen voor de rechter in verband met mishandelingen en poging tot doodslag. Van zijn dertiende tot zijn vijftiende verbleef Frans in een gesloten inrichting. Op zijn zeventiende bedreigde hij een medewerker van de Stichting Jeugd en Gezin, die in het kader van zijn Ondertoezichtsstelling als zijn voogd fungeerde, met een mes. “Ik was kwaad dat er niet naar mij geluisterd werd.”

In datzelfde jaar had zijn moeder een relatie met een man die haar regelmatig zwaar mishandelde. “Ik heb die man toen al een keer volledig in elkaar geslagen. Dat beeld van mijn om hulp schreeuwende moeder heeft me nooit meer verlaten.”

Officieel weten de bewoners van de kliniek niet van elkaar waarvoor ze vast zitten. Maar in de praktijk zijn de gepleegde delicten meestal toch bekend. Zo zijn verkrachters veroordeeld wegens “zeden” en agressieve pedofielen zitten voor “kinderen”. Laatstgenoemden staan meestal onderaan de hiërarchische ladder. “Dat heeft niet zozeer te maken met het delict dat ze hebben gepleegd als wel met hun gedrag”, zegt beleidsmedewerker Joop van den Berk, een vijftigjarige pijprokende ex-pater. “Agressieve pedofielen hebben hun delict vaak gepleegd vanuit een gevoel van onveiligheid en gebrek aan bescherming. Datzelfde gedrag vertonen ze ook binnen de muren van de kliniek.”

De behandelaars van de kliniek proberen er voor te waken dat bewoners elkaar manipuleren of onder druk zetten. “Voortdurend dreigen subculturen te ontstaan”, zegt directeur behandeling en beveiliging drs. Mariette Zomer. “Voor dergelijke processen zijn we beducht, want die hebben een anti-therapeutisch effect. We moeten onze bewoners duidelijk zien te maken dat het uitoefenen van controle over anderen voortkomt uit eigen onzekerheid.”

De motivatie van de tbs-gestelden om aan hun behandeling mee te werken, loopt sterk uiteen.

Velen ontkennen of bagatelliseren de door hen gepleegde delicten. Soms bereiken de behandelaars pas na jaren het omslagpunt waarbij de delinquent zich bereid toont de verantwoordelijkheid voor het misdrijf op zich te nemen. Elke tbs-gestelde weet dat naarmate hij zich meer verzet tegen de hem aangeboden therapieën, hij het moment van terugkeer in de maatschappij uitstelt. Individueel noemen de gedetineerden hun behandeling zinvol, maar in gezelschap van elkaar is zo'n houding not done.

“Ik heb hier een slechte naam”, zegt René, een langharige jongen met een geteisterd gebit. “Vaak uiten anderen beschuldigingen tegen mij. De behandelaars gaan op die geruchten af en gooien mij bij voorbaat al in de separeer. Vandaar dat ik nauwelijks aan de therapieën meewerk.” Een ander: “Ik doe honderd procent mijn best om te veranderen, maar ik krijg steeds opnieuw te horen dat ik nog delictgevaarlijk ben. Dan zeg ik: stik maar.”

Peter zit al lange tijd in de Pompekliniek. Jaren geleden kon hij via verlofregelingen regelmatig de kliniek verlaten. Tijdens een van die verloven voelde hij zich plotseling “weer niet zo lekker”, hetgeen hij aan zijn behandelaars meldde. Daarop trok de kliniek al zijn verloven in. “Ik weet wel waarom: de veiligheid van de maatschappij staat voorop en mijn belangen zijn daaraan ondergeschikt”, zegt hij. “Maar denk jij dat ik het ooit nog zal vertellen als ik het tijdens een proefverlof moeilijk heb? Nee dus.”

De verblijfsduur van de gedetineerden loopt sterk uiteen. Sommigen komen na drie of vier jaar al voor proefverlof in aanmerking. Bij anderen duurt dat soms zes jaar. In de Pompekliniek zit een enkele tbs-gestelde al meer dan vijftien jaar vast. Directeur M. Zomer schat de gemiddelde verblijfsduur op “vier à vijf jaar”.

De gedetineerden die het meest geneigd zijn tot agressief en vluchtgevaarlijk gedrag verblijven op een gesloten afdeling. Vandaaruit kunnen zij doorstromen naar een van de vijf besloten afdelingen. Het laatste stadium van de behandeling vormt een verblijf in de twee jaar geleden opgerichte Resocialisatie Unit (RUN).

De Pompekliniek hanteert acht verschillende therapievormen. Gedetineerden kunnen desgewenst deelnemen aan creatieve of expressieve therapie, en aan psycho-, relatie-, socio-, arbeids- of muziek-therapie. “De meeste tbs-gestelden zijn vanaf hun jeugd ontworteld”, zegt directeur Zomer. “Ze hechten zich daarom moeilijk. We streven ernaar dat hun basale wantrouwen vermindert en dat ze niet meer alleen uit zijn op de bevrediging van hun egocentrische behoefte-impulsen.”

De 28-jarige Henk zit sinds drie jaar in de Pompekliniek wegens het herhaaldelijk plegen van verkrachtingen. “In het begin deed ik diverse pogingen tot zelfmoord”, zegt hij. “Ik was heel afwerend naar de therapeuten. Het duurde lang voordat ik me realiseerde wat ik op mijn geweten heb. Inmiddels ben ik een ander mens geworden.”

Samen met zijn expressietherapeut kijkt hij naar de videoband die van de therapie-sessies is gemaakt. Eerst speelt de therapeut de rol van een agressieve en hysterische gedetineerde die in de separeercel is opgesloten. Henk dient als behandelaar op te treden. Aanvankelijk stelt hij zich daarbij aarzelend op en komt tot niet veel meer dan de uitspraak “Doe eens effe rustig”. Maar langzamerhand treedt hij doortastender op, legt uiteindelijk zijn hand op de schouder van de therapeut en zegt: “Laten we er nu over praten dat jij niet alleen de schuldige bent. Volgende week mag je van mij naar je moeder toe, dat geef ik je zwart op wit.”

In de volgende scène moet Henk een tbs-gestelde spelen. “Dat is een belangrijke fase”, stelt de therapeut vooraf. “Want de gedetineerde die daartoe in staat is, is voor een deel meester over zichzelf.” Henk gaat zitten en staart voor zich uit. Hij weigert naar de therapeut te luisteren. “Laat me met rust”, zegt hij. “Het maakt me allemaal niets meer uit want jullie weten toch alles het beste.”

Henk verblijft op de semi-gesloten afdeling. Het einde van zijn tbs is nog lang niet in zicht. Wel mag hij regelmatig zonder begeleiding "naar buiten', waar hij onder meer vrijwilligerswerk doet. Terugkeer in de maatschappij geschiedt stapje voor stapje. Eerst mogen de gedetineerden absoluut de kliniek niet verlaten, in een later stadium slechts onder begeleiding van een sociotherapeut en voor korte duur. Tijdens die uitstapjes observeert de behandelaar het gedrag van de gedetineerde. Hoe reageert hij als iemand in een winkel voordringt? Hoe staat hij een employé van de sociale dienst te woord? Hoe angstig is hij, hoe agressief?

Veel belang wordt gehecht aan het leefmilieu van de gedetineerde. De kliniek betrekt waar mogelijk ook familieleden of partners in de therapie. “Stoornissen spelen zich altijd af in relatie tot de omgeving”, meent relatie- en gezinstherapeut Ed Schutgens. “Je kunt patiënten wel proberen te genezen, maar zonder een verandering van de context is alles zinloos.”

De 23-jarige John heeft nu weer goed contact met zijn ouders, nadat hij ze vijf jaar niet meer had gezien. Met Kerstmis hoopt hij voor het eerst onbegeleid naar huis te mogen gaan. Vorig jaar wist hij kort te ontsnappen na een conflict met zijn sociotherapeut. “Ik word hier constant gecorrigeerd. Ik ben nog maar 23, een snotneus dus, maar ik heb wel mijn eigenwaarde.”

In zijn kamer heeft hij een kanariepietje dat veel lawaai maakt. “Dat komt omdat hij zijn kooi uit wil. Maar dat mag hij niet.” John heeft lang haar en draagt een Veronica T-shirt met de tekst "Jong...snel...wild...'. Hij kreeg tbs wegens een op 17-jarige leeftijd gepleegde moord. “Ik was voortvluchtig en pleegde een inbraak. Een vrouw betrapte me. Ik heb haar met mijn blote handen gewurgd. Of ze oud was of jong? Dat weet ik niet.” Inmiddels zegt hij spijt van zijn daad te hebben. “Ik had nooit gedacht dat ik tot zoiets in staat zou zijn.”

Ondanks zijn weerstand tegen zijn behandelaars acht hij zijn tbs niet zinloos. “Want ik was inderdaad een gevaar voor de maatschappij. Ik heb mijn delict altijd geprobeerd te verdringen. Ik weet alles aan een mislukte jeugd en aan mijn drugs- en alcoholgebruik. Nu heb ik mezelf beter leren kennen en ingezien dat ik moet veranderen.”

Hoewel hij daar zelf anders over denkt, achten zijn behandelaars hem gevaarlijk, met name als hij in het nauw komt. Het voorspellen van de delictgevaarlijkheid is volgens John onmogelijk. “Vandaar dat de kliniek steeds minder vaak adviseert tot beëindiging van een tbs. Ze willen het risico natuurlijk niet lopen. Dan zeg ik: Je wijst mij er 24 uur per dag op dat ik mijn eigen verantwoordelijkheid moet nemen terwijl je die zelf niet eens durft te dragen.”

In de beoordeling van de delictgevaarlijkheid speelt de periode op de Resocialisatie Unit een belangrijke rol. Na een vaak jarenlang verblijf elders in de kliniek mogen de bewoners van de RUN zelfstandig naar buiten. Sommigen hebben een baan, anderen volgen een opleiding. Directeur M. Zomer: “Het feit dat wij ze langzaamaan loslaten, staat voor hen gevoelsmatig vaak synoniem met verwaarlozing. Hun oude angsten komen dan soms weer boven, hetgeen in een verhoogde delictgevaarlijkheid kan resulteren.”

Voor alle behandelaars vormen recidives tijdens of na afloop van de tbs een schrikbeeld. “De druk op onze afdeling is groot”, zegt RUN-hoofd Frieda van Bergen. Zelf is ze in de loop der jaren met twee ernstige recidives geconfronteerd: een brandstichting en een moord. “Zoiets is buitengewoon schokkend. Je stuit op je eigen machteloosheid. Het doet je beseffen dat je het gedrag van iemand nooit in de hand hebt, al stort je veertig behandelaars over hem uit.”

De moeilijkste beoordelingen zijn die van tbs-gestelden die zich ogenschijnlijk correct gedragen. “We hebben hier bewoners die specialisten zijn in schijnaanpassing. Ze lijken geheel genezen, maar wegens hun pathologische achtergrond is daar soms in werkelijkheid helemaal geen zicht op”, zegt directeur Zomer. “Vooral bij seksuele delinquenten speelt dat een rol.” Ook rechters tuinen daar volgens haar soms in. “Zo'n tbs-gestelde weet zich uitstekend te presenteren. Het is dan moeilijk de rechter duidelijk te maken dat er wel degelijk iets ernstigs aan de hand is.”

Researchmedewerker drs. M. Verhagen onderzocht in de Pompekliniek en in drie andere tbs-instellingen de criteria op grond waarvan de delictgevaarlijkheid van tbs-gestelden wordt vastgesteld. De behandelaars van de vier klinieken kijken eerst of de verhouding tussen de tbs-gestelde en zijn directe omgeving is veranderd. Daarnaast speelt de hantering van het delict een belangrijke rol. Ziet de delinquent zijn delict en de gevolgen daarvan onder ogen? Het derde criterium is de mate waarin hij zich impulsief en driftig uit.

Toch blijkt het keer op keer moeilijk, zo niet onmogelijk, de toekomstige delictgevaarlijkheid van een tbs-gestelde exact te voorspellen.

Twintig procent van degenen die wegens een ernstig geweldsmisdrijf tbs kregen, begaan na het ontslag uit de kliniek binnen vijf jaar opnieuw een soortgelijk delict. Bij seksuele delinquenten bedraagt dat percentage zelfs dertig. Wanneer ook kleinere delicten worden meergerekend, recidiveert de helft van alle ex-tbs-gestelden. Maar daar tillen de behandelaars van de kliniek niet zo zwaar aan. Gezins- en relatietherapeut Ed Schutgens: “Ik lig er niet van wakker als een verkrachter later een goede winkeldief wordt.”

De voorzichtigheid die de klinieken tonen bij het advies tot verlenging van de tbs lijkt terecht. Wanneer de rechter tegen het advies van de kliniek ingaat en een tbs-gestelde nog vóór het begin van diens proefperiode in vrijheid stelt, leidt dat in 48 procent van de gevallen tot een nieuw ernstig geweldsmisdrijf. Bij invrijheidstellingen vanuit de proefperiode en conform het advies van de kliniek is dat slechts in 24 procent van de gevallen zo.

De 25-jarige Pieter zit sinds 1987 vast in verband met een reeks ernstige zedendelicten. “Soms ben ik wel een gevaar voor de maatschappij. Dat is gewoon zo”, zegt hij. Zijn tbs ervaart hij als positief. “Vroeger zocht ik altijd excuses voor mijn gedrag. Ik ben nu eindelijk zo ver dat ik inzie wat ik mijn slachtoffers heb aangedaan.” Over de kans op recedive denkt hij genuanceerd. Zelf denkt hij na zijn vrijlating nooit meer een dergelijk delict te zullen plegen. “Ik zal alles doen om niet tot de drie van de tien te behoren die weer in hun oude gedrag vervallen. Maar garanderen kan ik dat nooit. Als de samenleving geen enkel risico meer wil lopen, moeten ze ons levenslang vastzetten. Maar dan worden zeven van de tien ten onrechte vast gehouden. Dat beschouw ik ook als een delict.”

In Nederland zijn ongeveer vijfhonderd mensen ter beschikking gesteld. De maatregel wordt in principe opgelegd bij delinquenten die een gevaar zijn voor de maatschappij en een delict hebben gepleegd waarop minimaal vier jaar gevangenisstraf staat. In de praktijk gaat het vrijwel altijd om zeer ernstige geweldsdelicten, vaak bij herhaling gepleegd. Slechts vier procent van de tbs-gestelden is vrouw.

Krankzinnig verklaarde delinquenten belanden meestal in een gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis. Wie tijdens het plegen van een delict volledig toerekeningsvatbaar was of weigert mee te werken aan een psychiatrisch onderzoek komt in de gevangenis terecht. Tbs is een soort tussenvorm, in het bijzonder voor delinquenten met een persoonlijkheidsstoornis.

De rechter legt tbs in principe op voor onbepaalde tijd. Om het jaar of om de twee jaar beslist de rechtbank over verlenging van de maatregel. Bij iedere verlengingsprocedure heeft de gedetineerde het recht een contra-expertise te laten instellen. Bovendien verricht een multi-disciplinair team van gedragsdeskundigen na zes jaar een onafhankelijk onderzoek. In 93 procent van de gevallen adviseren tbs-klinieken de behandeling voort te zetten. Maar soms besluit de rechter, tegen het advies van de kliniek in, de gedetineerde voortijdig in vrijheid te stellen. Een belangrijk principe is daarbij het zogenoemde proportionaliteitsbeginsel, waarbij de rechter kijkt of de duur van de terbeschikkingstelling de normale strafmaat van het gepleegde delict niet overschrijdt. Het aantal van deze "contraire' beslissingen stijgt voortdurend en bedraagt inmiddels zeventig procent van alle beëindigingen. De meeste contraire beslissingen vallen tijdens het proefverlof waarmee in principe iedere tbs eindigt.

Tbs bestaat alleen in Nederland. Er zijn acht tbs-klinieken. In de Nijmeegse Pompekliniek verblijven 66 mensen die tbs opgelegd kregen, onder wie 28 procent allochtonen. Ruim een derde zit vast wegens seksuele delicten. De gemiddelde leeftijd van de bewoners neemt af. Een kwart is jonger dan 25 jaar en 62 procent jonger dan 35 jaar.