Theatermaker richt Parijse expositie in met "historische' meubelsculpturen; Het donkere doolhof van Wilsons montagekunst

Robert Wilson. Mr. Bojangles'Memory og son of fire. Tot 27-1, Centre Georges Pompidou, Parijs. Cataloguskoffer met catalogus, videocassette en cd: 1600 F.

PARIJS, 9 DEC. Naar verluidt had de Franse minister van cultuur Jack Lang een gevolg van zeker duizend genodigden toen hij vorige maand in het Centre Pompidou Robert Wilsons tentoonstelling Mr. Bojangles' Memory, og son of fire opende. Als ik de niet eens zo erg grote zaal binnen ga waar Wilson zijn dromen heeft uitgestald, kan ik een lach niet onderdrukken bij dat idee. Het eerste dat opvalt is een uitgelicht slingerpaadje, dat onmiskenbaar aan een midgetgolfbaantje doet denken. Daarover is dus Jack Lang binnengeschreden, als de rattenvanger van Hamelen, met een stoet van eerbiedige volgelingen in zijn kielzog.

Het heeft niets met de tentoonstelling te maken, maar het beeld wordt in tweede instantie nog grappiger. Terwijl ik om me heen kijk, stel ik me voor hoe de menigte genodigden dat ook heeft gedaan en, na enige aarzeling en steelse blikken naar elkaar, waarderende woorden heeft gesproken. Daarbij heeft men ongetwijfeld een opvallende voorkeur aan de dag gelegd voor zo algemeen mogelijke termen als "interessant' en "indrukwekkend'. Ik weet het niet of het zo gegaan is, ik was er niet bij, maar het vermoeden dringt zich op.

Waarom? En waarom is het grappig? Omdat theatermaker en beeldend kunstenaar Robert Wilson een manipulator is. Hij is een jochie dat ons een blik vergunt door de opening van zijn kijkdoos, maar hij is ook een wereldberoemd genie dat als vanzelfsprekend bijval krijgt, ook van hen die niet begrijpen waarom ze zijn kunst interessant vinden. Men heeft waarderende woorden gesproken, maar men heeft zelf niet geweten waarom. Want al was ik er niet bij, van dat laatste ben ik zeker.

Deze Mr. Bojangles' Memory-uitstalling kan eenvoudigweg niet groepsgewijs genoten worden. De bezoeker moet er alleen of met zijn geliefde doorheen dwalen, in zwijgzame overpeinzing - misschien, heel misschien dat dan iets begint te dagen van de bedoelingen van de maker.

De duistere zaal lijkt op een grote plantenbak, vol moderne hydrocultuur. Het pad slingert zich door een heuvelig landschap van enerzijds zwarte lava, anderzijds gravel en aarde. Maar in het landschap bevinden zich geen planten; aan weerszijden van het dwingende paadje staat een vijftigtal "meubelsculpturen' - meest stoelen, maar ook banken en tafels -, her en der geflankeerd door meesterwerken uit de kunstgeschiedenis, afkomstig uit het dépôt van het Centre Pompidou. Aan het plafond hangen monitoren, maar er liggen er ook op de grond, scheef weggezakt in de gravel of de lava. De bezoeker wordt gehuld in een geluidsdeken (samengesteld door Hans Peter Kuhn) van tekst- en muziekflarden uit theaterprodukties van Wilson. Ligt het aan mij, dat in die kakofonie een zachte stem overheerst? Telkens herhaalt die stem: “Das bedeutet überhaupt nichts” en “It doesn't mean anything at all”.

Die waarschuwing begeleidt de bezoeker op zijn tocht door een donkere doolhof, waarin het pad, de schaars uitgelichte objecten en de monitoren de wegwijzers vormen. De in felle technicolor-achtige kleuren oplichtende videobeelden tonen een oude man met een rieten hoed op het hoofd, een vrouwemond waaruit bloed stroomt, een chimpansee of een mollige deerne in een donkerblauwe jurk met witte ballen die met een honkbalknuppel zwaait. De stoelen blijken bij nadere inspectie speciaal ontworpen voor masochisten: prachtig, maar op de meeste valt met geen mogelijkheid te zitten.

Ze zijn vernoemd naar historische figuren, zowel boos- als weldoeners. "Sigmund Freud' en "Albert Einstein' heten ze, en "Rudolf Hess', "Heiner Müller', "Queen Victoria', "Saddam Hussein' en "Joseph Stalin', maar ook zijn er stoelen die namen dragen uit de kunstgeschiedenis als "Parzival', "Salome' en "King Lear'. Net als in zijn reuzenproject the CIVIL warS, dat juist vanwege de omvang een voortijdige dood stierf, put Wilson uit een grabbelton van algemeen bekende symbolen, clichés, tekens. Zij zijn het enige aanknopingspunt voor begrip van zijn werk, maar het is een wankel aanknopingspunt.

Want Wilson associeert er als altijd lustig op los, zijn fantasie is slechts een aanleiding om de onze de vrije loop te laten. Daarom is het vergeefse moeite te proberen de vormen van zijn meubelen in verband te brengen met hun namen en daarom ook is de relatie tussen het object en het ernaast staande of hangende kunstwerk (van Carl André, Hans Bellmer, Calder, Bacon, De Kooning en nog vijftien andere beroemde kunstenaars) veelal onduidelijk. Die relatie schuilt natuurlijk weer in de overeenkomsten of juist de verschillen, naar vorm of thema. Of in helemaal niets - wat in deze soort montagekunst evenzeer gerechtvaardigd is.

Zo is 'Virginia Woolf' een gelakte plank, geschraagd door lage uitwaaierende voetjes en wordt Einstein geportretteerd in een langgerekt, frêle buisstoeltje van wel twee meter hoog maar slechts dertig centimeter breed en diep. De dimensies van het voorwerp zijn een verwijzing, omdat Wilson er een sculptuur van Giacometti naast heeft gezet, maar onwillekeurig concludeer ik er ook uit, dat Einstein een lange, dunne en misschien wel steile man was. Daar gaan we al: dat was hij volgens mij helemaal niet.

En waarom heeft Nijinsky twee ranke tafelstructuurtjes van geperforeerd ijzer gekregen en King Lear een acht meter lang bed van hout en lood op barokke voetjes? Dat de stoel van Franz Kafka een stijl van de rugleuning en een poot mist, kan ik doorgronden, maar de twee glimmend verchroomde ligbanken van Rudolf Hess zijn weer een raadsel. En raadselachtig worden ze niet, ze zijn alleen maar mooi.

Het is mijn eigen schuld. Het verstand moet stilgezet worden bij Wilson, dat is zijn sleutel tot genot. Hij verschaft zichzelf een vrijbrief, waarmee hij kritische blikken bij voorbaat onschadelijk maakt. Mij stoort dat, al zie ik de charme van zijn uitnodiging tot dromen. Maar zijn speeltuin biedt om zo te zeggen een overkill aan vrijheid, die te meer irriteert omdat anderzijds de catalogus (luxueus uitgevoerd en te zamen met videocassette en cd verkrijgbaar in een rubberen koffertje) bol staat van verklarende informatie.

Daardoor weet ik, dat we de expositie maar moeten ervaren als een levende stad, waar nieuw naast oud wordt gebouwd en uiteenlopende stijlen in vreedzame coëxistentie verkeren. En zo weet ik ook, dat de twee zwarte rotsachtige fauteuils die "Joseph Stalin' heten, verwijzen naar de atoombom en dat de "Saddam Hussein'-stoel haar vorm ontleent aan het blok beton dat Wilson ten tijde van de Golfoorlog aantrof op een bouwterrein in Chicago en mooi vond.

Maar wil ik dat allemaal lezen? Nee, ik wil het, als het er toe doet, kunnen begrijpen uit zijn tentoonstelling. Desnoods ten koste van veel moeite. In dat geval zou Wilson de door hem gewekte nieuwsgierigheid belonen en de verwondering - die er zeker is - niet zo te kijk zetten. Nu presenteert hij een fraaie ballon die, als je hem opvangt, leegloopt. Hoe esthetisch ook, Wilsons vrijblijvendheid werkt vrijblijvendheid in de hand. Daarom denk ik aan Jack Lang en zijn gezelschap en moet ik lachen. Pas later bedenk ik dat die vrolijkheid deels ontgoocheling is.