SPRINTEN IS "PATS-BOEM, 'T WATER IN'

Ze heeft het rusteloze dat past bij de flitsende nummers van de zwemsport. Ingewikkelde voorbereidingen en langdurige concentratie zijn aan haar niet besteed. Inge de Bruijn (18 jaar) werd gisteren in Gelsenkirchen Europees kampioene op de 50 meter vlinderslag met een nieuw Europees record van 27,25 seconden. “Pats-boem, het water in. Dat spreekt me aan”.

Sprint als discipline is een nog onvoldragen vrucht van het zwemmen. Sommigen geloven heilig in een gouden toekomst voor programma's met korte afstanden, die binnen een uurtje kunnen worden afgewerkt. Anderen beschouwen de traditionele Olympische onderdelen als zaligmakend. Ook de Nederlandse zwembond (KNZB) nam een afwerende houding aan toen de inschrijving voor het eerste Europese sprintkampioenschap zwemmen ter sprake kwam. Voor de oorspronkelijke lokatie, Joegoslavië, gold nog het argument dat geld ervoor zou moeten worden onttrokken aan de Olympische voorbereiding. Dus werd het afgevoerd van het programma. Toen het plotseling dichter bij huis werd gehouden, in Gelsenkirchen, kregen geïnteresseerde atleten te horen dat het budget nu al was verdeeld en het eigenlijk toch niet paste in de aanloop naar Barcelona.

Inge de Bruijn, op dat moment Europees recordhoudster op de 50 meter vlinderslag met 27,43, en Ron Dekker - een potentiële medaillekandidaat op de 50 meter schoolslag - drongen er bij bondscoach Ton van Klooster op aan hen desondanks af te vaardigen. Aan het einde van de eerste Europese sprinttitelstrijd hadden ze samen een gouden (De Bruijn) en twee zilveren (Dekker op de 100 wissel- en 50 schoolslag) medailles veroverd. Voor het eerst sinds 1966, toen Ada Kok en Betty Heukels in Utrecht eerste werden, won Nederland bij een Europees kampioenschap weer eens goud op een persoonlijk nummer.

Voorlopig zijn het nog overgelijkbare grootheden. De belangstelling voor het sprinttoernooi was niet overweldigend. Denemarken, Noorwegen, Frankrijk en Portugal waren zelfs niet eens gekomen. De meeste atleten van de zeventien deelnemende landen hadden er niet voor getapered, zoals het "pieken', het toewerken naar een hoogtepunt in een seizoen, tegenwoordig in de zwemsport wordt genoemd. Alleen Duitsland, Zweden en de nog juist bestaande Sovjet-Unie wel, hetgeen hun enorme medaille-oogst verklaart. Verder was de aanpak individueel bepaald. Dekker had er wel naar toegeleefd, maar zijn normale trainingsprogramma met relatief weinig zwemtraining laat een onderbreking van de "Olympische voorbereiding' gemakkelijker toe. Hij had zich geshaved, alle overtollige haartjes van zijn lichaam geschoren, om aalglad door het water te kunnen gaan.

En Inge de Bruijn? Die had, zei ze, nauwelijks iets bijzonders gedaan. Ze was vorige week ziek geweest en had maandag voor het laatst getraind. Waar dan die kracht vandaan kwam? “Ik weet het echt niet. Maar bij het inzwemmen wist ik het al: "ik ga winnen'. Misschien past het inderdaad wel bij mijn karakter, dat sprinten. Ik heb me niet te lang geconcentreerd, ging naar de start. En hup, klaar.” Vergeten was de teleurstellende vrije slag van de dag tevoren. Ze flitste door het 25-meterbad en kwam bij de finish ideaal uit. Ze tikte aan voor de Zweedse Louise Karlsson, die haar twee weken geleden met 27,40 het Europese record ontfutselde. Dat ze geen recordhoudster meer was hoorde Inge de Bruijn overigens pas bij aankomst in Gelsenkirchen. Karlsson won kort voor de finale 50 meter vlinderslag de 100 meter wisselslag. “Ik had natuurlijk het geluk dat ze die wedstrijd nog in de benen had”, besefte De Bruijn.

Sinds haar eerste contact met het water bleek dat ze talent had. Geschapen voor het water, net als haar tweelingzus Jakline, die deel uitmaakt van de nationale waterpoloselectie. Maar ook een grillig talent. Begonnen bij ZPB in haar woonplaats Barendrecht, vervolgens overgestapt naar Nautilus in Dordrecht, als “uitdaging” naar Amsterdam gegaan om bij de Dolfijn zeer succesvol te worden en kort voor de WK van begin dit jaar in Perth toch maar weer bij Nautilus gaan trainen. Die laatste switch beschouwt ze nu als erg impulsief. Inge de Bruijn moet, zeggen insiders, nog veel evenwichtiger worden. Ze werkt er ook aan. Bezocht de sportpsycholoog Peter Blitz, maar kreeg er vooral de slappe lach. “Onder hypnose, da's niks voor mij. Ontspan je bilspier... Daar moet ik verschrikkelijk om lachen.” Nu wipt ze af en toe binnen bij de psychologe Loes de Ridder. “Lekker kletsen en af en toe komt er een probleempje boven.”

Waar de liefde voor het sprinten vandaan komt kan ze niet verklaren. Het is die samenballing van spanning, de explosieve ontlading, de concentratie bij het keerpunt en de hoop op dat kleine beetje geluk om heel gunstig uit te komen bij de laatste slag, die de charme van de superkorte afstanden vormen. Het gaat om honderdsten van seconden, waardoor elke kleine hapering het verschil tussen winnen en verliezen uitmaakt. “En je herstelt snel na zo'n sprint. Na een 200 meter ben je helemaal uitgewoond.” Toch wordt er gezegd dat ze ook die afstand moet kunnen. “Geduld”, zegt ze, “is het toverwoord.”

Het is voor haar nog te vroeg om zich te specialiseren op het sprinten. Ze moet, vindt trainer Erik van Westen, “meer basis” krijgen. Bovendien tellen voor de zwembond alleen de Olympische onderdelen. De miniatuur-afvaardiging naar Gelsenkirchen noemde bondscoach Van Klooster “een proefballonnetje”. Hij staat te boek als een "tegenstander van de sprint' maar bestrijdt die opvatting. Het is meer pragmatische scepsis. Als sprinten een volwaardige discipline wordt vereist dat een volwaardige aanpak. “Dan zou je mischien wel naar een aparte sprintploeg toe moeten, met een apart budget en misschien wel een aparte sprintcoach. Als er een nieuwe loot aan de boom komt, is er extra geld voor nodig.”

Aton Demuth, als commissaris zwemmen van de KNZB tegenstemmer toen de afvaardiging naar een EK sprint werd besproken maar in Gelsenkirchen wel als jurylid aan de rand van het bassin te vinden, reageert afwerend. “Er is niet eens geld om voor de Olympische Spelen een voorbereiding te doen die Ton van Klooster voor ogen staat. En over extra geld praten we in de zwembond al jaren niet meer.”

Na het 450.000 mark kostende evenement in Gelsenkirchen waren zelfs "die tegenstanders' ervan overtuigd dat dit EK een vervolg zou krijgen. Klaas van der Pol, ere-voorzitter van de Europese zwemliga LEN en penningmeester van de wereldzwembond FINA, liep genietend langs de rand van het bassin. Hij is een uitgesproken pleitbezorger van dit soort evenementen, dat appelleert aan de wens van de moderne media naar hapklare, lichtverteerbare brokjes sportamusement. Hij heeft het KNZB-bestuur dan ook zijn ontstemming laten blijken over de kleine afvaardiging. Na de drie medailles voor Nederland zegt hij minzaam glimlachend: “De traditie houdt de vernieuwing nog even tegen.”

“Dit heeft een gouden toekomst”, voorspelt Ron Dekker, die voor het eerst in zijn tienjarige internationale carrière een medaille won op een groot kampioenschap. “Een goede revanche voor alle keren dat ik pech had op grote toernooien en een opsteker voor Barcelona.” En de zwembond heeft er een probleem bij, want na dit succes zal de belangstelling volgend jaar groter zijn. “Maar dan is het wel in Finland”, zegt Van Klooster zuinig en hij lijkt al uit te rekenen wat dat allemaal gaat kosten. En dat bezwaar van die doormidden gekliefde voorbereiding? “We zullen moeten wennen aan dit soort dingen in de maand september.” En hij sprint naar de uitgang om op tijd te zijn voor Studio Sport. Zonder zwemmen.