Rossini's laatste mis: een poging om het paradijs in te komen

Concert: Radio Symfonie Orkest en leden Groot Omroepkoor o.l.v. Kenneth Montgomery m.m.v. Charlotte Margiono (sopraan), Wendy White (mezzo), Jianyi Zhang (tenor), Dimitri Kavrakos (bas), Noël Lee en Jeff Cohen (piano), Thijs Kramer (harmonium). Programma: Mozart, Maurerische Trauermusik; Franz Rössler, Requiem voor Mozart; Rossini, Petite Messe Solennelle. Gehoord: zondagmiddag in Vredenburg te Utrecht. Uitzending: 6-1 1992 via radio 4 om 13.02 uur.

In 1863, toen Rossini na decennia lang op zijn compositorische lauweren te hebben gerust de Petite Messe Solennelle voltooide, vroeg hij in een begeleidend schrijven aan God of dit werk "musique sacrée' dan wel "sacrée musique' was: gewijde, dan wel verdomde muziek. Rossini verzocht God tevens hem op basis van deze mis tot het paradijs toe te laten, een duidelijk teken dat hij zelf bepaald niet ontevreden was met zijn zwanezang.

Kenneth Montgomery voerde het werk in zoverre in de originele versie uit, dat hij ter ondersteuning van de vocale partijen twee piano's en een harmonium gebruikte in plaats van een orkest. Het aanvankelijk uit acht zangers samengestelde koor bracht Montgomery echter op dubbele sterkte.

Bij een uitvoering in een grote ruimte verdient de sobere instrumentale begeleiding beslist de voorkeur boven de orkestrale. In kleine bezetting komt de typisch Rossiniaanse combinatie van verheven religieus sentiment met luchtig, maar bepaald niet oppervlakkig muzikaal vertier het best tot zijn recht.

De kostelijk vrijmoedige wijze waarop Rossini hier met de katholieke religieuze en de muzikale tradities omspringt, ontroert en amuseert tegelijk. En alleen een kniesoor zal hem hiervoor de toegang tot het paradijs ontzeggen. Kenneth Montgomery zorgde niet alleen voor een tot in kleine onderdelen nauwkeurige vertolking, maar slaagde er bovendien in zijn medewerkers te doordringen van de oprechtheid en eenvoud van Rossini's sentimenten. Koor, vokale en instrumentale solisten richtten zich met grote souplesse maar met behoud van eigen individuele inbreng naar Montgomery's dwingende visie op dit verwaarloosde meesterwerk. Het was deze vanzelfsprekende eenheid in verscheidenheid die maakte dat de mis van begin tot einde boeide.

Het omgekeerde geldt voor het aan Mozart gewijde Requiem van zich Roseti noemende toondichter Rössner. Vrijwel elke noot van dit uit louter sjablonen samengestelde werk is voorspelbaar. Zijn enige verdienste ligt in de korte duur. De zangers en orkest maakten er het best mogelijke van.