Prof. Van Maarseveen verruilt het recht voor de kunst; "Schandelijke van 't recht is dat het mensen tot het huwelijk forceert'

Hij begon zijn loopbaan als kunstenaar, was vervolgens advocaat en ambtenaar en sinds 1968 is hij hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Erasmus Universiteit. Henc van Maarseveen wordt een oproerkraaier genoemd, dwars en tegendraads. Als redacteur van het Nederlands Juristenblad bracht hij als geen ander opwinding in de juristenwereld. Per 1 januari wordt hij ontslagen als hoogleraar wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Tegen dat ontslag heeft hij beroep ingesteld bij de ambtenarenrechter, op grond van leeftijdsdiscriminatie. Toch heeft hij zich voorgenomen na 1 januari nooit meer uitspraken over het recht te doen. Hij verlangt naar zijn terugkeer naar de kunst. Bij wijze van afscheid wil hij nog wel over zijn rechtspolitieke ideeën spreken. Als wetenschapper, niet als rebel.

Laten we het hebben over het verschijnsel van de intellectueel als rebel. Wat drijft de rebel?

Een psychologiserend antwoord zou humbug worden. Wat mezelf betreft: ik heb enkele aversies. Tegen zekerheid, tegen saaiheid, tegen vastheid en stabiliteit. Vanzelfsprekendheden en passiviteit,ik heb er net zoveel last van als iedereen. Het blokkeert je en het leidt tot onnadenkendheid. Daar voel ik weerzin tegen en die weerzin, die soms woede wordt, is misschien mijn sterkste impuls. Je blijven bewegen, je blijven verbazen, je blijven opwinden zoals je het op je zeventiende deed: het is doodvermoeiend, voor anderen en voor jezelf, maar het houdt het bloed warm en je raakt zeker als jurist minder willoos overgeleverd aan het rechtssysteem dat nu eenmaal je omgeving is. Het bewegen om het bewegen?

Ja en tegelijk ook weer niet, want het is niet zonder meer tegendraadsheid en verzet. Het is tegen macht gericht. Misschien wel uit jaloezie op de macht. Dat sluit ik niet uit. Maar als ik rationaliseer dan is het in het recht voor mij vaak gegaan om het parcere parvis et debellare superbos: de kleinen sparen en de machtigen bestrijden. Met dat gevoel heb ik over uiteenlopende onderwerpen geschreven. Altijd vanuit een publiekrechtelijke optiek, over de verhouding tussen overheid en mensen. Overigens nemen de sterken en de zwakken in de samenleving wisselende posities in. Eigenlijk vind ik de tweedeling sterken-zwakken een onwerkelijke. Het is in de rechtscultuur jarenlang mode geweest - en ik heb eraan meegedaan - om te zeggen: de zwakken hebben ons nodig. Het was een gemakkelijke ideologie, vooral ook omdat wij als juristen zelf wel even regelden wie op de status van "zwakken' aanspraak mochten maken. Uw denken over de verhouding tussen overheid en burger werd aanvankelijk sterk beïnvloed door het anarchisme. Een aantal uitgangspunten van het anarchisme is sinds het verval van het marxisme weer actueel geworden, zoals de kritiek op bureaucratie en etatisme en de permanente aandacht voor machtsproblemen. Waar blijft de triomf van het anarchisme?

Daar zijn anarchisten te superieur voor. Het is beneden hun niveau om, zoals rechts soms deed, triomfantelijk hun gelijk te halen. Ik zou anarchist willen zijn, maar ik heb niet de kracht om het te zijn en om de consequenties ervan te aanvaarden. Want die consequenties zijn dat je je buiten de circuits plaatst en dat is sociaal gezien, vruchteloos. Als het anarchisme me één ding geleerd heeft, dan is dat het onderscheid tussen normen en regels. Als politici zeggen dat het normbesef aan het vervagen is, liegen ze want ze bedoelen dat hun regels niet gehoorzaamd worden. Maar de meeste regels berusten op politieke en dus willekeurige keuzes. Politici hebben het bijna nooit over de normen van het privaatrecht, alleen over de regels van het bestuurs- en strafrecht. Jammer misschien voor de overheidsmacht dat mensen hoe langer hoe scherper voor zichzelf een onderscheid maken tussen rechtsnormen en rechtsregels. Wat de regels betreft lappen ze veel aan hun laars. Wat de normen betreft denk ik dat er nog nooit zo'n sterk overeenstemmend normbesef is geweest als tegenwoordig. Allicht bestaat er ook normdifferentiatie, er zijn nu eenmaal allerlei subculturen waarin eigen normatieve overtuigingen een rol spelen. Zelfs criminele groeperingen hebben eigen normatieve opvattingen, een ander normbesef dus maar wel degelijk een normbesef. Overheidsregels zijn dikwijls heel legitiem en aanvaardbaar, maar je hoeft er niet op te rekenen dat ze wel gehoorzaamd zullen worden als je maar hard genoeg krijst dat het normen zijn, en zeker niet wanneer ze in strijd komen met werkelijke rechtsnormen. In 1978 publiceerde u samen met Van der Tang "Written Constitutions', een empirisch vergelijkend onderzoek naar 142 grondwetten, aangevuld met een theoretische analyse van typologieën, modellen en functies van grondwetten. Een wetenschappelijk werk, waarin de sterke opiniëring ontbreekt die uw overige publikaties kenmerkt.

Toch vind ik het zelf mijn mooiste werk. Het aardigste vind ik dat het boek zelfs in het Chinees werd vertaald en ik het in die taal niet kan lezen. Overigens mag je in de rechtswetenschap tegenwoordig blij zijn als een publikatie vijf jaar meegaat. Er wordt een hoop afval gepubliceerd, maar ook zoveel fraais, dat alles binnen enkele jaren al weer verbeterd is. De topkwaliteit is massaal geworden, er zijn geen uitschieters meer. De verschillen hebben de grootte van een speldeknop. Het kwaliteitsniveau is nog nooit zo hoog en breed geweest, en dat lijkt me een van de prachtige gevolgen van de democratisering van het onderwijs. Het boek heeft door de recente Europese geschiedenis na dertien jaar nog actualiteitswaarde. Ligt er een Europese constitutie in het verschiet en welke functie zou die dan krijgen?

Het is nog duister of de Europese samenwerking zich verder zal verdiepen dan wel zich zal verbreden. Het kan niet allebei tegelijk wegens de economische verschillen met de aansluiting zoekende Oosteuropese staten. Voorstellen voor een Europese grondwet hebben nu geen betekenis. Wat er naar mijn idee niet meer in zit, is dat Europa zich vormt tot een federatieve staat. Na het prefederale stadium is bureaucratisering en niet democratisering de ontwikkeling geweest. Een Europese Senaat is niet meer denkbaar, het Europese parlement hoeft niet te rekenen op wezenlijke uitbreiding van zijn bevoegdheid. Het betekent dat de kleinere staten door de grotere via Brussel zullen worden bedisseld en een soort Europese protectoraten worden. We moeten ook bedenken dat kleinere staten als Nederland onvoldoende bestuurskracht en onvoldoende potentieel bezitten om zich in de Europese complexiteit staande te houden. Een formele plaats als deelstaat in een federatie is aantrekkelijker, dan zijn er tenminste gewaarborgde posities en bevoegdheden. In die optiek ligt het nu meer voor de hand om aansluiting te zoeken bij de grootste Europese staat en je te voegen in de Duitse Bondsrepubliek. Daar zou Oostenrijk trouwens ook goed aan doen, evenals Denemarken. Een soort verlate "Anschluss'. Zo'n gedachte is politiek natuurlijk taboe en zelf gruw ik ook van de symboliek ervan. Maar je zult je op zijn minst moeten afvragen of ons land niet beter af zou zijn als Duitse deelstaat dan als Europees protectoraat. Misschien heeft u "realpolitisch' gelijk, maar is dat idee niet tevens het afscheid van iedere illusie over een Europa waarin de lidstaten democratisch zijn vertegenwoordigd?

Wat stelt de democratie in de lidstaten zelf voor? Neem Nederland. We hebben een zuilendemocratie gehad, een democratie van ideologische blokken dus. Daarna kwam er een partijendemocratie. Niet de ideologieën profileerden zich, maar de partijen, de partijpolitici en de partij-organisaties. Ons kiesstelsel bleek daarop naadloos aan te sluiten. Je kiest niet je vertegenwoordigers, je helpt een partij aan een zetel. Wij hebben primair een partijen-representatie, niet een volksvertegenwoordiging. Dat werkte tot halverwege de jaren zeventig zo'n beetje. Daarna is er in feite één politieke partij gekomen met een aantal elkaar beconcurrerende facties. Ik heb het ooit eens de Economische Eenheidspartij Nederland genoemd. De verschillen tussen de facties zijn in hoofdzaak historisch van aard. Er is een cliëntensysteem gegroeid, een nomenklatoera ook. Alleen leden van de facties krijgen min of meer evenredig de belangrijke posities. Niet-partijleden kunnen het vergeten. De centrale democratische problematiek is op dit moment het ontbreken van overtuigingsmacht. Nu kun je, zoals Van Mierlo in NRC Handelsblad van een aantal maanden geleden, denken dat de toekomst is aan individuele politici met aansprekende ideeën en een charismatische uitstraling. Dat vind ik een wel erg eenvoudig politiek model. Misschien goed voor revolutionaire situaties waarin zulke politici een houvast voor de massa zijn, maar in een zich continuerend complex stelsel werkt dat niet, dan komt het op andere dingen aan en spelen massa's nauwelijks een rol. Mijn gedachten gaan niet in de richting van een persoonlijke profilering van politici. Ik zie meer in een persoonlijke profilering van de kiezer. Hoe wilt u dat bereiken?

Indertijd heb ik ervoor gepleit het kiessysteem zodanig te wijzigen dat de mensen zich bij de verkiezingen telkens aan de hand van vragenlijsten kunnen uitspreken over concrete kwesties. De opmerking dat je niet met vijftien miljoen mensen kunt vergaderen, is er één uit de vorige eeuw. We hebben nu de technologie om wèl alle mensen te laten praten zodat het democratische ideaaltype dat er met vijftien miljoen wordt beslist, denkbaar en realiseerbaar wordt. De meerderheidsregel krijgt dan een nieuw aureool. Je zou het thuis-democratie kunnen noemen. De techniek is in beginsel eenvoudig: je voegt bij de traditionele oproep om te gaan stemmen een door de Tweede Kamer vastgestelde vragenlijst over maatschappelijke prioriteiten. De mensen kunnen die lijsten thuis, pratend en overdenkend invullen. Er kan voorlichting over worden gegeven. Op de verkiezingsdag kunnen de ingevulde lijsten tegelijk met het in het stemlokaal ingevulde stembiljet worden ingeleverd. De uitslag moet in principe bindend zijn voor de besluitvorming van regering en parlement. Je kunt dit idee verder uitbouwen tot een interactive tele-democratie, zodat over allerlei issues de kiezers telkens om een oordeel kan worden gevraagd. Dan is tenminste een zichtbare zeggenschap van de kiezers gerealiseerd en zijn de beslissingen beter gelegitimeerd. Het voordeel van tamelijk gedetailleerde vragenlijsten is bovendien dat de mensen daadwerkelijk bij de concrete politiek worden betrokken, de "ze'-mentaliteit krijgt minder kans, vrijblijvendheid raakt uit. Nu worden kiezers behandeld als politieke consumenten die zich zo'n vijftien keer in hun lange leven over hun merkvoorkeuren mogen uitspreken. Je kunt dan toch niet verbaasd zijn dat de mensen vervolgens ook calculerende klanten in de politieke supermarkt worden, zonder betrokkenheid of verantwoordelijkheid? Een democratisch burgerschap wordt het meest bevorderd als de mensen effectief kunnen meebeslissen en zij zich bij de invulling van de vragenlijsten realiseren dat de dingen niet voor niets kunnen.

Door de afweging die men zelf moet maken, wordt het politieke bewustzijn gescherpt. Een socioloog kan overigens tegenwerpen dat met een goede steekproef hetzelfde resultaat is te bereiken, maar daar moet ik als jurist tegenover stellen dat zichtbaarheid van groter belang is en dat het erom gaat mensen de zekerheid te geven dat zij individueel aan het woord komen. Maar voor zowel Van Mierlo als mij geldt dat we kunnen voorstellen wat we willen maar dat de kans op realisering nihil is. Daarvoor zijn de gevestigde belangen te machtig. Politieke partijen, vakbonden, werkgeversorganisaties en bureaucratische apparaten zullen zich effectief tegen dit soort vernieuwingen blijven verzetten.'' De laatste verkiezingsuitslag in België, zou die in uw systeem voorkomen of juist bevorderd zijn?

Elk ziek systeem produceert zijn eigen kanker en overwint die weer naar gelang de ernst van de ziekte. Ook in het Belgisch stelsel zijn de kiezers tot een soort voetbalpubliek gemaakt, dat achter traliehekken alleen mag kijken naar de verrichtingen op het politieke veld. Het kan maar beperkt reageren. Het kan applaudiseren, zwijgen, boe-roepen of gaan vechten en smijten. We weten inmiddels dat supporters niet meer vechten als ze echt in het clubgebeuren participeren. Net als in de voetballerij zijn in de politiek de democratische gebreken oorzaak van de uitwassen. In de huidige tijd wordt elke kiezer verplicht tot afdracht aan de overheid van vele duizenden guldens, maar zijn zeggenschap is even klein gebleven als honderd jaar geleden. Kiezers kunnen een politieke boosheid alleen maar effectief ventileren door op een protestpartij te stemmen, ze zwellen op en barsten uit. Dat is de ziekte van ons systeem, dat was ook de ziekte van de Weimarrepubliek in de jaren twintig. De zittende politici nemen deze ziekte veel te licht op. Als het Vlaamse Blok zich had moeten uitspreken over de prioriteiten van een vragenlijst, was het uit elkaar gespat en in elk geval niet meer serieus genomen. Het hamert alleen op negatieve prioriteiten. Daarvoor zullen mensen niets voelen als zij ook positieve prioriteiten tot uiting kunnen brengen. De door mij bedoelde vragenlijst en alles wat zich daaromheen zou afspelen, verzekert een waarachtig medebeslissingsrecht op het hele politieke veld. Dat is een vorm van politieke rechtsbescherming.

Dat zowel links- als rechtsradicalisme in Westeuropa altijd op terreur uitloopt, heeft veel te maken met politieke wanhoop. Die wanhoop is door een directer democratisch systeem goeddeels te voorkomen.'' U heeft de afgelopen jaren gefulmineerd tegen de Hoge Raad en vooral tegen zijn "low profile'.

Onder het zogenaamde low profile van de Hoge Raad gaat een enorme overschatting van het recht schuil en een beeld van de leden van de Hoge Raad als de hogepriesters van het recht. Als de Hoge Raad het zo mooi vindt als rechtsvormer op te treden, hoort daar een sterke profilering bij. Pas wanneer de Hoge Raad zijn beslissingen uitvoerig motiveert, liefst met dissenting en concurring opinions, krijg je aanvaardbare oordelen over onderwerpen die de wetgever wegens het controversiële karakter ervan aan de rechter overlaat. Zolang de Hoge Raad in meerderheid uit nauwelijks geprofileerde juristen bestaat, heb ik weinig vertrouwen in de standpunten die zij in moeilijke tijden zullen innemen. De inschikkelijkheid van de meeste leden van de Hoge Raad in de Tweede Wereldoorlog en in de jaren zestig toen het constitutionele toetsingsrecht ter sprake kwam, is voor mij nog steeds een schrikbeeld. In de Tweede Wereldoorlog verdwenen de weinige geprofileerden uit de Hoge Raad, de overigen werden de klerken van het bezettingsrecht. De Hoge Raad is nu een onvoorspelbaar orakel.

De subcultuur van juristen ontwikkelt zich in haar geheel opnieuw in de richting van depersonalisering en conformering. Men verbergt zijn peroon weer achter een institutie, normatieve overtuigingen achter rechtsbeginselen, ideeën achter pragmatisme. Hoeveel fraais er ook verricht wordt, de kans zit erin dat juristen net als in de achttiende eeuw verstarren tot brave klerken. Die hebben groot misprijzen voor afwijkende geluiden, zoals ik nogal eens heb gemerkt. Er zijn maar weinig juristen die over de liefde hebben gepubliceerd. U heeft dat wel gedaan en ook uw afscheidsrede als hoogleraar gaat over de liefde. De liefde moet worden bevrijd van het paarverband, vindt u.

Over de liefde heb ik zo mijn eigen ideeën, maar het is soms te wreed om die door te zetten tegenover anderen die van je houden. Hartstocht en inspiratie sterven in het paarverband een melancholieke dood: you don't bring me any flowers anymore! Het schandelijke van het recht vind ik dat het mensen het paarverband opdringt, hen tot huwelijk of samenleving forceert. Het paarverband is in het recht de norm en met privileges via belastingrecht, vermogensrecht en verzekeringsrecht worden de mensen ertoe gebracht zich op te sluiten in een samenlevingsverband van twee. Voor het recht is monogamie de regel, overspel de uitzondering. Maar de feiten zijn anders: overspel is het gewone verlangen geworden, monogamie is uitzonderlijk behalve misschien op jongere leeftijd. Dat geldt voor mannen zowel als vrouwen, maar beiden hebben er moeite mee het als legitieme emotie te erkennen.

Maar ja, alles is zo dubbel. De rechtscultuur geeft aan de liefde ook gedragsinspiratie op het gebied van zorgvuldigheid, fair play, gelijke behandeling en evenredigheid. Dit zou voor een jurist uit de vorige eeuw een onzinnige opmerking zijn, omdat men toen een scherp onderscheid verlangde tussen recht en moraal. Maar nu is het recht de belangrijkste producent van sociale moraal geworden. De moraal is allang niet meer de inspirator van het recht, integendeel het recht is autonoom geworden en dikwijls ook de bron van de individuele moraal. Rechtsbeginselen zoals de gelijkheid van man en vrouw hebben heel wat mensen tot gedrag gebracht, waar ze vanuit hun individuele moraal nooit toe gekomen zouden zijn. Van de kunst naar de wetenschap en van de wetenschap weer met groot verlangen terug naar de kunst. Was de omweg de moeite waard?

Het zou erg flauw zijn om te zeggen dat de omweg via het recht niet de moeite waard was, nu ik die omweg bewust heb gekozen en veel voordelen ervan heb geplukt. Het juridische publiek was anders dan het kunstpubliek en in mijn geval ook zeker geen onverschillig publiek. Dus heb ik niet te klagen, hoewel ... Maar mijn leven als kunstenaar is verreweg het belangrijkste voor me. Een expositie op een achteraf-ateliertje in Utrecht vervulde mij meer dan de publikatie van welk wetenschappelijk artikel ook. Een juridisch hoogleraarschap vormt de top van een bepaalde piramide. Het is in menselijk opzicht vrij koud daar. Daar voel je ook pas goed hoe vervreemdend en afschuwelijk sociale hiërarchie eigenlijk is. In kunstenaarskringen liggen de verhoudingen gelijkwaardiger en heb je ogen en spontane contacten. Mijn kunstenaarsvrienden raakte ik aanvankelijk kwijt toen ik hoogleraar werd. En bovendien, kunst maken, dingen uit je vingers laten komen, vrije expressie van jezelf, ongehinderd door sociale codes, ja, dàt is iets anders dan wetenschap bedrijven. Vanuit de kunst nam ik het tegendraadse mee naar het recht, hoewel kunst en tegendraadsheid niet identiek zijn. Vanuit het recht wil ik het vormelijke mee terugnemen naar de kunst. Ik verlang vooral naar mijn terugkeer naar de grafiek. Grafiek is vuile handen maken met als resultaat een schone prent.