Plan-Lubbers raakt ook energiemonopolies in EG; "De vrees voor meer bureaucratie in Brussel acht ik volkomen ongegrond'

ROTTERDAM, 9 DEC. Tal van onzekerheden omringen het plan-Lubbers voor internationale samenwerking op energiegebied nog. Niettemin komen volgende week maandag ministers van veertig landen in de Haagse Ridderzaal bijeen om het Energie-Handvest te bespreken.

Volgens mevrouw Leigh Hancher, hoogleraar Economisch Publieksrecht aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam, zal Lubbers' plan misschien ongewild ook de interne markt voor energie binnen de EG, met een vrijere concurrentie, dichterbij brengen. “In de praktijk betekent dit een eerste stap, het Handvest kan de nationale monopolies van lidstaten, en daarmee hun macht over energiebronnen, prijzen en distributierechten, doorbreken”, is haar conclusie.

Mocht het resultaat van de Europese topconferentie in Maastricht tegenvallen, dan kan Lubbers op dinsdag 17 december in Den Haag toch nog een grote dag beleven. Net op de valreep van het Nederlandse EG-voorzitterschap wordt het Energie-Handvest, geesteskind van de Nederlandse premier, getekend. Daarmee wordt een stelsel van afspraken vastgelegd dat het voor Westerse ondernemingen aanzienlijk makkelijker maakt op grote schaal in de voormalige Sovjet-Unie te investeren. In totaal zouden de energieplannen in Oost-Europa die in het kader van het Handvest worden besproken 6 à 8 biljoen gulden, ofwel meer dan 50 maal de jaarlijkse EG-begroting, aan investeringen vergen.

Door de turbulente politieke ontwikkeling in de voormalige Sovjet-Unie is aan de vooravond van de plechtigheid in Den Haag nog niet zeker wie namens de beoogde nieuwe Unie en de republieken het Handvest zullen tekenen. Een delegatie van de Intergouvernementele Conferentie voor het Handvest die de laatste voorbereidingen treft, kon daarover vorige week tijdens een bezoek aan Moskou nog geen duidelijkheid krijgen. Die kwestie is niet onbelangrijk omdat de republieken hun soevereiniteit over de eigen grondstoffenreserves hebben vastgelegd in het nieuwe Unie-verdrag.

Kernpunt in het Energie-Handvest is dat de politieke risico's van Westerse investeringen, zoals onverhoopte nieuwe nationalisaties, worden weggenomen. Westerse oliemaatschappijen zoals de Koninklijke Shell-Groep zijn druk bezig projecten voor olie- en gaswinning in de voormalige Sovjet-Unie voor te bereiden, maar ze worden nog afgeremd door de onzekerheden als gevolg van de machtsstrijd tussen de republieken daar. Na de Russische revolutie in 1917 hebben Shell en andere multinationals leergeld betaald, toen hun bezittingen in de Sovjet-Unie en andere Oostbloklanden werden genaast.

“Het Energie-Handvest is voor ons een belangrijk hulpmiddel. Het maakt de geesten in Oost-Europa rijp voor commerciële contracten waarvan verschillende republieken veel voordeel zullen krijgen”, zei Tony Vicars-Miles, coördinator voor Oost-Europa van de Koninklijke Shell-Groep, vorige week. “Vergroting van hun export is essentieel voor de economische hervorming, en met Westerse hulp kan de olie- en gasindustrie, die technisch in een deplorabele staat verkeert, een face-lift krijgen. Alleen al het wegwerken van de enorme energieverspilling in de Sovjet-Unie zou voor grote extra opbrengsten zorgen en een halt toeroepen aan de milieuvervuiling.”

Prof. Leigh Hancher acht het Energie-Handvest van “immense politieke betekenis” omdat het na zeventig jaar communisme de eerste overeenkomst tussen alle Oosteuropese landen, de Westerse industrielanden, Japan, Australië en Nieuw-Zeeland is.

Maar Leigh Hancher ziet ook interessante gevolgen van de energie-samenwerking met Oost-Europa voor de Europese Gemeenschap, die de lidstaten zich volgens haar nog niet realiseren. De vrije interne markt, het ideaal dat de EG in 1993 wil realiseren, wordt op energiegebied nog ernstig belemmerd door nationale monopolies voor de elektriciteits- en aardgasvoorziening. Alleen in Groot-Brittannië en Portugal is de energiedistributie losgemaakt van overheidsinvloed.

Nederland is een van de lidstaten die krampachtig vasthouden aan monopolieposities van de Gasunie en de Samenwerkende Elektriciteits Producenten (SEP). Al het aardgas dat op Nederlands grondgebied wordt gewonnen, moet aan de Gasunie worden verkocht. Dat is de instantie die de exclusieve eigendom van het pijpleidingennet heeft, de export en de binnenlandse afzet regelt. Ook de SEP heeft nagenoeg exclusieve rechten voor de elektriciteitsvoorziening en het transport van stroom via het hoogspanningsnet.

De Europese Commissie tracht die nationale monopolies te doorbreken om een vrije concurrentie op gang te brengen. Leigh Hancher: “Je hebt in de EG nu nog een kip-en-ei situatie: de lidstaten verzetten zich tegen de Commissie, met een beroep op de noodzakelijke zekerheid in de energievoorziening, terwijl de Commissie die voorziening juist op Europees niveau tracht te regelen. Zonder vrije concurrentie is een interne markt op energiegebied niet mogelijk.

“Met dit Energie-Handvest gaat het argument van de lidstaten niet meer op. In Brussel komt een onafhankelijk secretariaat voor de uitvoering van het Energie-Handvest. Wel zal er een nauwe verbinding liggen tussen dit secretariaat en de Europese Commissie. Belangrijk doel van het Handvest is de vrije toegang tot energiebronnen in Oost-Europa, maar precies hetzelfde hoort dan te gelden voor de interne Westeuropese markt.”

Volgens Leigh Hancher is het onvermijdelijk dat de Europese Commissie voor de uitvoering van het Handvest een aantal regels moet hanteren die haar aan meer macht over de energiepolitiek zullen helpen. Ze staan in het ontwerp voor een basis-overeenkomst, een document met de status van een internationaal verdrag, dat het plan-Lubbers in het voorjaar met een aantal protocollen moet completeren.

“Dat zijn precies de regels waartegen een aantal oliemaatschappijen en grote energiebedrijven, zoals het Duitse Ruhrgas en de Gasunie, nu te hoop lopen. Het is de vrees voor meer bureaucratie in Brussel. Maar die acht ik volkomen ongegrond. Het gemeenschappelijk energiebeleid staat nog in de kinderschoenen en het zou volkomen inconsequent zijn als de Gemeenschap op de interne markt een uitzondering zou maken voor energie. Commissaris Cardoso e Cunha beschikt nu slechts over 28 beleidsambtenaren in Brussel en acht in Luxemburg die zich alleen met Euratom (kernenergie) bezighouden. Dat kun je echt geen over-bureaucratisering noemen. Tot nu toe heeft Cardoso gebrek aan mankracht. Voor belangrijke beleidsinitiatieven moest hij particuliere bureaus inschakelen. Trouwens, bij een meer gemeenschappelijk energiebeleid kun je het aantal ambtenaren op de nationale ministeries verminderen.”

Hancher ontwaart sterk ironische trekkken in de EG-discussie over het energiebeleid in relatie tot het Lubbers-Handvest. De Westeuropese oliemarkt is eigenlijk een staatsmarkt, zegt ze, net als tot voor kort in het Oostblok.“Het plan-Lubbers beoogt mede een vrije markteconomie in Oost-Europa te bevorderen. Daar worden hoogdravende woorden aan gewijd in het Handvest. Maar in Nederland, Denemarken, Italië, Griekenland en Ierland hebben staatsmaatschappijen nog een stevige vinger in de pap waar het gaat om de winning, distributie en verkoop van olie. In Duitsland worden de energieprijzen voor grootverbruikers nog strikt geheim gehouden. Dat kan een vorm van staatssteun voor de industrie betekenen. De Commissie wil nu meer informatie over die prijzen en de kosten die eraan ten grondslag liggen, maar de lidstaten en de industrie verzetten zich hevig. Het is een zeer controversiële kwestie.”

Nederland heeft zich volgens Hancher als eerste lidstaat verzet tegen voorstellen van de Commissie voor openbare aanbestedingsregels voor energieprojecten, waarmee open concurrentie wordt beoogd. “Dat noem ik een zeer nationalistische visie.”

De particuliere olie-industrie heeft, in vergelijking met andere bedrijfstakken, nog altijd een gepriviligeerde relatie met de Europese Commissie, zegt Hancher. “Ze zijn aan minder controle en regels gebonden omdat de energievoorziening zo'n gevoelig terrein is. De oliemaatschappijen zijn nu bang dat het plan-Lubbers zal leiden tot de oprichting van een nieuwe instelling met macht, een agentschap zoals dat al voor milieu bestaat.”

Ook bij de elektriciteitsproducenten ziet professor Hancher een sterke neiging tot verzet tegen de interne markt. Zij hebben zich al in de jaren vijftig verenigd in een Europese organisatie, de UCPTE. Die regelt voornamelijk technische zaken, zoals het onderling verevenen van tekorten en overschotten aan stroom tussen de landen. Maar onlangs is een nieuwe belangengroep Eurelectric opgericht, die een Europese beurs voor elektriciteit wil instellen waarvan de klantenkring beperkt blijft tot producenten. Verbruikers wil men uitsluiten. “Dat kan een nieuw kartel worden, met interne prijsafspraken. Gelukkig moet "Brussel' daar nog toestemming voor verlenen. Ik ben zeer benieuwd of dat zomaar gebeurt.”