Leve de koningin!

Nu staat nog de beeltenis van onze vorstin op de keerzijde van iedere Nederlandse munt. Onze bankbiljetten dragen de signatuur van Nederlandse kunstenaars als Oxenaar en Drupsteen. Hoe zal dat straks gaan met de ecu? Prijkt dan Beethoven in plaats van Sweelinck op het 25 ecubiljet? Waar blijft de poelsnip? En is er nog plaats voor koningin Beatrix?

Bij de onderhandelingen over de Europese Monetaire Unie hoe intensief ook is nog geen tijd ingeruimd voor zulke praktische vragen. Toch houden de politici wel degelijk rekening met de onzekere gevoelens bij burgers, banken en koninginnen over de feitelijke invoering van die ene munt voor Europa. Immers, er bestaat overeenstemming over de statuten voor de toekomstige Europese Centrale Bank, maar de politici hebben de datum van invoering veel verder in de toekomst geschoven dan een paar maanden geleden nog waarschijnlijk leek. Het lijkt alsof de ministers wel vertrouwen hebben in de statuten, maar nog niet zo zeker weten hoe populair het afscheid van gulden, franc en mark te zijner tijd bij hun kiezers zal zijn.

Gelukkig is het simpel om ecu-papiergeld en munten op zo'n manier te drukken dat nationale gevoelens niet worden geschoffeerd. Misschien spreken de ministers wel af dat ieder land een eigen ontwerp kan maken voor de achterkant: wij onze vorstin op de ecu-munten en de Fransen hun meest recente incarnatie van Marianne. U hebt er waarschijnlijk nooit op gelet, maar in de Verenigde Staten is nu al de achterzijde van de dollarbiljetten iets verschillend, afhankelijk van het district van de Federal Reserve dat het geld in circulatie brengt. Een dollarbiljet uit St. Louis ziet er net even anders uit dan een dollar uit Boston, maar de waarde is natuurlijk identiek.

De ecu-munten die nu al bestaan in Belgie, Frankrijk, Ierland, Nederland en Spanje zijn uitgegeven voor de verzamelaars. Als wisselgeld fungeren ze nog niet, omdat de zilver- of goudwaarde van die speciaal geslagen munten hoger is dan de feitelijke waarde. Wie zo'n munt krijgt of koopt, wil er mee pronken, en niet een kop koffie ermee betalen. De ecu bestaat in feite op dit moment alleen nog als rekeneenheid in de computers van de banken. De EG zelf betaalt zo veel mogelijk in ecu's, en er zijn ook al een paar bedrijven die rekeningen sturen en betalen in ecu's (0,7 procent van de Nederlandse export wordt gefactureerd in ecu's). Sinds kort verrekenen ook de Europese spoorwegen hun onderlinge betalingen in ecu's.

De banken die zulke betalingen voor hun clienten verwerken, lopen een klein wisselkoersrisico, want de waarde van de ecu schommelt een beetje rondom de officieel gedefinieerde waarde die gelijk is aan 21,98 Nederlandse centen plus 62,42 Duitse pfennig plus brokstukken van de tien andere munten in de EG (in totaal komt de waarde van een ecu thans op ongeveer 2,31). Ook de daggeldrente op ecu-deposito's is niet precies gelijk aan de gemiddelde rente in de twaalf lidstaten. Banken moeten dus hun ecu-posities nauwkeurig bewaken en vijfenveertig grote banken hebben daarom een elektronisch verrekensysteem ingevoerd waarin ze dagelijks met elkaar afrekenen met steun van de bank voor internationale betalingen in Bazel.

Zeven EG-landen hebben al geleend in ecu's. Een van die landen is Engeland, omdat de Engelse regering wel second thoughts heeft over de ene Europese munt, maar geen enkele aarzeling over de promotie van Londen als financieel centrum. Nederland is nog niet zo ver. Minister Kok had afgelopen vrijdag zo mooi de eerste Nederlandse staatslening in ecu's kunnen afkondigen om zo de kandidatuur van Amsterdam voor de toekomstige Europese Centrale Bank nog eens te onderstrepen. Duitsland leent nog niet in ecu's, dus die slag was voor ons geweest. Jammer genoeg blijft ons staatsschuldbeleid fantasieloos (en onnodig duur, maar dat is een andere discussie).

Langzamerhand zal de ecu wel belangrijker worden, maar ik denk niet dat ecu-geld echt gaat circuleren tot vlak voor het ogenblik (1998?) dat wij onze guldens, dubbeltjes en kwartjes moeten inwisselen. De ervaring is dat in een land een soort geld circuleert en de rol vervult van betaalmiddel, tenzij het gaat om een heel klein land bijvoorbeeld Barbados en andere Carabische landen waar Amerikaanse toeristen belangrijk zijn voor de economie en men het hun makkelijk wil maken door alle prijzen ook in dollars aan te geven , of om landen waar door een heel hoge inflatie het eigen geld aan kwaliteit heeft verloren: Latijns-Amerikaanse en Oosteuropese landen.

In Nederland echter, waar de gulden een stabiele hoogwaardige munt is, zal de circulatie van ecu's het inheemse geld niet automatisch verdringen. Eens komt dus het moment dat uw en mijn bank- en girorekeningen verplicht worden omgerekend in ecu's, wij ons contant geld inwisselen en alle prijskaartjes worden omgerekend. Een hele toestand zal dat nog worden, omdat het wiskundig onmogelijk is een koers te vinden voor de ecu waarbij alle twaalf landen kunnen werken met een comfortabele omrekeningsfactor. Zoetige TV-spots van de overheid zullen het ons allemaal wel uitleggen.

Na die verplichte omwisseling wordt het Europese leven eenvoudiger, maar er zijn ook aanzienlijke risico's. In een eerdere bijdrage (Succes in Maastricht, 14-10-91) noemde ik al het externe wisselkoersbeleid ten opzichte van yen en dollar, alsmede het toezicht op het Siciliaanse of Griekse bankwezen. Daarbij komt nog een ander onoverzienbaar risico dat vooral afhangt van de politieke unie waarover de regeringsleiders ook vandaag en morgen spreken: worden wij in de toekomst nog meer mede-verantwoordelijk voor de zwakke economieen van bijvoorbeeld Ierland, Portugal en Griekenland? Nu al ontvangen die landen drie tot vijf procent van hun bruto nationaal produkt uit de EG-kas. Met de ene Europese munt kunnen ze straks niet met een gunstige wisselkoers de export opvoeren en dreigt zelfs het gevaar dat door een te hoge looninflatie hun concurrentiepositie verder verzwakt. Hoe meer de EG deze week kiest voor politieke integratie volgens het Franse model met een bureaucratisch industriebeleid, zware regionale fondsen en veel centrale regelgeving, des te meer zullen de perifere regio's straks financiele steun eisen van de rijkere landen. Dan zou bij ons de BTW omhoog moeten terwille van het regionale fonds van de EG, en dat is het laatste waar Nederland behoefte aan heeft.

De politieke unie kan leiden tot dirigisme, duur industriebeleid, excessieve regelgeving en dure subsidies. De ontwerpteksten voor het politieke verdrag zijn niet geruststellend. Daarentegen is het verdrag voor de monetaire unie op eigen merites beschouwd een goede stap die hoort bij een vrije, efficiente Europese markt. Zolang tenminste de ene Europese munt niet onze soevereiniteit op schadelijke wijze beperkt: liever geen rondpompen van geld via Brussel, juist nu in Den Haag de intentie groeit om dat in het binnenland te verminderen, en liefst ook onze koningin op de keerzijde van de in Holland geslagen ecu's.