Kennerschap van eigenzinnige verzamelaar blijkt relatief; Wetenschap haalt Bredius in

Tentoonstelling: Bredius, Rembrandt en het Mauritshuis!!! T-m 1 maart in het Mauritshuis, Korte Vijverberg 8, Den Haag. Catalogus ƒ 35. Di t-m za 10-17u, zon- en feestdagen 11-17u. Museum Bredius, Lange Vijverberg 14, is open di t-m zo 12-17u. Beide gesl. 25-12 en 1-1.

“Hem, zijn leven en zijn werk ons nader te brengen, is het heerlijke hoofddoel van mijn leven geworden.” Dit zijn niet de woorden van een Hollandse dominee uit de vorige eeuw, maar van de gefortuneerde kunsthistoricus Abraham Bredius. Hij schreef ze in de inleiding van zijn grote Rembrandtcatalogus, die in 1935 verscheen en die nog steeds een uitgangspunt van belang vormt voor de bestudering van het werk van de grote meester - zelfs voor het Rembrandt Research Project.

Abraham Bredius, die in 1855 in Amsterdam werd geboren, was niet alleen de grootste Rembrandtkenner van zijn tijd, maar heeft zich, als mecenas en als onderzoeker, voor de Hollandse kunst in het algemeen zeer ingezet. In het Mauritshuis, waar hij van 1889 tot 1909 directeur en daarna adviseur was, is tot en met 1 maart een tentoonstelling aan deze eigenzinnige figuur gewijd. De expositie geeft een prachtig beeld van een tijd waarin de kunstgeschiedenis nog in de kinderschoenen stond en de grote meesters nog bereikbaar waren. Tegelijkertijd is ook te zien hoezeer de negentiende-eeuwse smaak verschilt van de onze.

Tijdens het bewind van Bredius verwierf het museum 35 zeventiende-eeuwse schilderijen, onder andere van Rembrandt, Jan Steen en Van Goyen. In de loop der jaren betaalde de directeur bovendien nog een groot aantal werken uit eigen zak. Met veel gevoel voor theater bracht Bredius elke aanwinst in de pers en tijdens zijn directoraat is het bezoekersaantal van het Mauritshuis dan ook bijna verdrievoudigd. Tegelijkertijd kreeg Bredius door die publiciteit vaak ook extra geld voor aanwinsten van de overheid. Dit ondanks het feit dat hij nog wel eens gedwarsboomd werd door de adviseur van de Minister van Binnenlandse Zaken, Victor de Stuers, die inhoudelijk en financieel veel minder risico's durfde te nemen. Zijn privé-collectie met vooral goede ”kleine' meesters schonk Bredius aan de gemeente Den Haag. Deze collectie is sinds twee jaar weer te zien in het gebouw aan de Lange Vijverberg waarin eerder het Nederlands Kostuummuseum was gevestigd. Ook het Rijksmuseum kreeg in de loop der jaren 43 schilderijen uit Bredius' eigen bezit.

Bredius, die zijn eerste onderricht in de oude Nederlandse kunst kreeg van de Berlijnse museumdirecteur Wilhelm von Bode, liet zich er altijd op voorstaan dat hij in één oogopslag een meesterwerk kon herkennen. Dat ook zijn kennerschap relatief was, zien we op de tentoonstelling. Meer dan in het bijbehorende - uitstekend gedocumenteeerde - boek nemen de samenstellers hier afstand van Bredius' oordeel. Dat is vooral het geval in de zaal met Rembrandts. Met name Saul en David, het lievelingsschilderij van Bredius, voor de financiering waarvan deze in 1898 met veel vertoon zijn privé-rijtuig verkocht, geldt nu als een twijfelachtige Rembrandt.

Ook de toeschrijving van de portretten van Rembrandts familie blijkt in alle gevallen onjuist. Aan de andere kant heeft Bredius door zijn snelle oog bijvoorbeeld een mansportret van Hans Memling, een van de beste schilderijtjes van Judith Leyster en het ”puttertje' van Caral Fabritius ver beneden de prijs kunnen aankopen.

Bredius zelf, die bevriend was met de sommige Haagse School-schilders, had een voorliefde voor een betrekkelijk losse toets. Dat is te zien aan zijn keuze van Rembrandts. Behalve dat hij zijn persoonlijke smaak volgde, breidde hij de collectie van het Mauritshuis in zijn ogen ook in educatief opzicht uit. Zo vond hij het belangrijk dat relatief onbekende genretaferelen van figuren als Jan Steen en Jan Miense Molenaer in de vaste opstelling waren te zien. De boertige scènes met veel ontucht zullen de burgerij van zijn tijd wel enigszins geschokt hebben.

Overigens is het opvallend dat Bredius veel van zijn toeschrijvingen wetenschappelijk trachtte te onderbouwen. In een tijd dat de archieven nog niet openbaar waren, bracht hij het geduld op om eindeloos in weinig comfortabele omstandigheden notariële protocollen en boedelinventarissen door te werken. Zijn bevindingen publiceerde hij in het, nu nog steeds bestaande, gezaghebbende tijdschrift Oud Holland waarvan hij lange tijd redacteur was. Ook deze ”archiefsprokkelingen' zoals hij ze noemde, worden inmiddels systematisch door de jongste generatie wetenschappers overgedaan en verbeterd.

Dat Bredius' toeschrijvingen in de loop der jaren niet altijd gehandhaafd bleven, doet overigens niets af aan het feit dat de meeste schilderijen op de tentoonstelling de moeite waard zijn.

'Prachtig!!!' placht de kenner zelf in zijn notitieboekjes te schrijven als hij woorden te kort kwam. Toch ontkom je niet aan het gevoel dat deze tentoonstelling nog maar net op tijd is, omdat de voortschrijdende wetenschap over niet al te lange tijd afbreuk zal gaan doen aan de legende die - deels door zijn eigen toedoen - rond Bredius is ontstaan. Zo ver is het nog net niet, maar de uitroeptekens die nu veelzeggend aan de titel van de tentoonstelling werden toegevoegd, zullen zeker verdwijnen. En dan zal Bredius definitief geschiedenis zijn geworden.