Iraakse Koerden bang dat vrijheid van korte duur is

KELEK-ARBIL, 9 DEC. Aan de overkant van het riviertje de Zab zijn de stellingen van het Iraakse leger duidelijk te zien. De Koerdische peshmerga"s (zij die de dood onder ogen zien) bij het plaatsje Kelek, tussen de steden Arbil en Mosul, laten zich hierdoor niet intimideren. Een blik op hun verdediging doet echter het ergste vermoeden. Achter bomen liggen enkele handgranaten opgestapeld, is een handvol schuttersputjes gegraven en staat een enkel mortiergeweer gereed, dat is alles. De peshmerga's blaken niettemin zo van zelfvertrouwen dat ze niet van plan zijn de brug over de Zab bij Kelek op te blazen als het Iraakse leger daar met tanks over heen zou denderen.

Een misplaatst gevoel van eigen kracht? “Dat geloof ik niet”, zegt de Amerikaanse kolonel Naab, die vanuit de grensplaats Zakho de toestand in Iraaks Koerdistan namens de geallieerde coalitie in de gaten houdt. “Het moreel van de peshmerga's is zo goed omdat ze een hele reeks successen hebben geboekt tegen de Iraakse troepen. Ze zijn tegenwoordig niet alleen maar sterk als guerrillastrijders in de bergen maar ook in de steden.” Het moreel van de troepen van Saddam Hussein daarentegen is volgens de meeste berichten slecht. “De laatste keer dat hier werd geschoten”, vertellen peshmerga's in Kelek, “was gisteren toen de Iraakse troepen vuurden op militairen die naar ons probeerden over te lopen. We weten niet wat er van hen is geworden.”

Kolonel Naab meent dat de successen van de peshmerga's ook de reden waren voor het onverwachte vertrek twee maanden geleden van de Iraakse troepen uit de grote stad Arbil. Onmiddellijk na de Iraakse aftocht bestormden bevolking en pershmerga's gezamenlijk hun enorme, gehate hoofdkwartier om het te slopen en in brand te steken. Dat was al de tweede keer dit jaar. Ook in de lente bij de grote Koerdische opstand na de nederlaag van Saddam Hussein in de Golfoorlog onderging het pompeuze hoofdkwartier dit lot, maar enkele weken later waren de Iraakse militairen weer terug.

Koerdische burgers zijn er niet zeker van dat de pas verworven vrijheid van lange duur is en dat Saddams troepen voor altijd weg blijven. Weliswaar spreken zij met het grootste respect over de peshmerga's, maar zij vrezen dat dezen het onderspit zullen delven wanneer ze het alleen tegen de Iraakse troepen moeten opnemen. Vooral in meer oostelijk gelegen streken blijft de angst er flink in zitten. Daar kan Saddam Hussein vrijwel ongestoord dorpen en steden onder vuur nemen, wat heeft geleid tot een nieuwe stroom vluchtelingen van zo'n 200.000 Koerden.

“Steeds als mijn dochter 's nachts naar de wc gaat en de deur kraakt, schrik ik met een schok wakker. Dan denk ik eerst dat de Iraakse militairen eraan komen om mij of iemand van mijn familie op te pakken”, zegt een ingenieur uit de stad Sulaimaniya. Een andere man in de uitgestrekte bazaar van Sulaimaniya zegt elke keer als hij een boodschap doet bang te zijn dat bij thuiskomst de Irakezen bij hem op de stoep staan. De dichtstbijzijnde Iraakse militairen zitten op ongeveer veertig kilometer van de stad. Volgens functionarissen van de Verenigde Naties staan in bijna alle huizen in de steden Arbil en Dohuk, waar zij werkzaam zijn, de koffers en de zakken gepakt om zo nodig meteen te kunnen vluchten. Veel mannen zijn overigens vast besloten mee te vechten bij de verdediging van hun stad, zodra hun familie in veiligheid is.

“Wij vertrouwen op jullie westerlingen, we zijn van jullie hulp afhankelijk”, zegt een man in de bazaar van Sulaimaniya onder veel bijval van omstanders. “Onze veiligheid is het allerbelangrijkste probleem. Zolang we veilig zijn geeft het niet dat we weinig te eten hebben.” Behalve voedselhulp en hulp bij de wederopbouw van de geschonden steden en dorpen bestaat de Westerse steun voorlopig alleen uit patrouillevluchten boven het gebied ten noorden van de 36ste breedtegraad. De mensen in Arbil geeft dit een prettig gevoel, maar die in Sulaimaniya, dat beneden deze lijn ligt, hebben er minder aan.

Ondanks hun vrees zijn de Koerden zeer gelukkig met hun vrijheid, een luxe die ze in geen tientallen jaren op deze schaal hebben gekend. “Het is heerlijk dat we niet meer bij elke Landrover die de hoek om komt, bang hoeven te zijn dat ze ons komen arresteren”, zegt een chauffeur in Sulaimaniya. “Je had vroeger het gevoel dat je zelfs je eigen broer niet kon vertrouwen”, zegt een ander.

Een van de symbolen van de Koerdische vrijheid is het eigen televisiekanaal, dat op initiatief van een van de grootste verzetsgroepen, de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK), uitzendingen verzorgt. Sinds een week of zes zitten de bewoners van grote plaatsen als Arbil, Dohuk en Sulaimaniya elke avond aan hun toestel gekluisterd. Zonder klagen kijken ze langdurig naar het testbeeld tot het programma begint, want de aanvangstijden wisselen nogal. De technische kwaliteit van het gebodene is niet hoog, maar dat kan de Koerden niet schelen. Voor het eerst hebben ze immers een eigen televisiestation.

Stapje voor stapje nemen de Koerden ook de militaire en de civiele organisatie van de bevrijde gebieden ter hand. Op honderden plaatsen zijn controleposten van bewapende peshmerga's opgezet, om ondermijnende activiteit van Iraakse kant tegen te gaan. In de steden hebben de grote partijen zoals de PUK en de Koerdische Democratische Partij van Massoud Barzani zich op mooie locaties geïnstalleerd, meestal voormalige kantoren van een van de Iraakse geheime diensten. Maar ook zijn op veel plaatsen centra ingericht van de Koerdische communistische partij en van talrijke andere Koerdische groepen.

Een deel van de Koerdische ambtenaren, die vroeger in Iraakse dienst waren, werkt nu als politie-agent, administrateur of anderszins voor de Koerdische gemeenschap. Een probleem is hun salariëring. Het samenwerkend verband van de Koerdische verzetsgroepen, het IKF, heeft beslag weten te leggen op enige tegoeden van de Iraakse regering bij lokale banken en verder ontvangt het geld uit de water- en elektriciteitsvoorziening. Met behulp daarvan krijgen de ambtenaren, die van Saddam Hussein sinds twee maanden niets meer ontvangen hebben, een uiterst bescheiden salarisje. Directe belastingen heeft het IKF nog niet geheven. “Ik krijg nu 250 dinar per maand (omgerekend zo'n vijftig gulden, FvS), terwijl een vat van tien liter spijsolie al 215 dinar kost”, klaagt een politie-agent in Arbil.

De kosten van levensonderhoud in de Koerdische gebieden zijn de afgelopen maanden verveelvoudigd. Niet alleen hebben de Koerden te lijden onder het embargo van de VN tegen Irak als geheel, op zijn beurt heeft Saddam Hussein in oktober nog eens een embargo afgekondigd tegen de Koerdische gebieden als vergelding voor het verzet van de Koerden tegen zijn gezag. Slechts mondjesmaat druppelen er nu van Iraakse zijde nog brandstof en levensmiddelen naar de Koerden. Veel zaken kunnen alleen nog voor veel geld via Turkije worden aangevoerd.

Iedereen in de bazaar klaagt steen en been. Benzine voor auto's, die in Irak vroeger bijna gratis was, is nu enkele dinars per liter, afhankelijk van de plaats waar je deze koopt. Ook kerosine, gebruikt voor koken en verwarming, is vele malen duurder dan vroeger. In beide zaken is een levendige zwarte handel ontstaan.

Een kilo schapevlees, die voor de Koeweit-crisis zeven dinar kostte en twee maanden geleden al 15 dinar, brengt nu 20 dinar op, zegt een slager in Arbil. Andere vleessoorten zijn nog duurder. Voor de meesten is vlees dan ook een onbetaalbare luxe geworden. De lijfdrank van de Koerden en van de meesten in het Midden-Oosten, thee, kost nu 35 dinar per kilo vergeleken met minder dan één dinar ruim een jaar geleden. Ook dadels, aardappels, tandpasta en vrijwel alle andere artikelen zijn op zijn minst twee keer zo duur geworden.

De salarissen daarentegen zijn hetzelfde gebleven of drastisch verminderd, zoals in het geval van de ambtenaren. “Voor de armen is de toestand vreselijk moeilijk geworden. Ze hebben gewoon geen middelen meer om zich nog overeind te houden”, aldus een functionaris van het IKF in Arbil.

In de bazaar van Sulaimaniya roepen sommigen dat het tijd wordt om het embargo van de VN tegen Irak op te heffen. “Saddam Hussein heeft daar niet onder te lijden, maar wij wel”, zegt een uit zuidelijker streken gevluchte student.

Maar daarmee zou Saddams embargo tegen de Koerden nog niet zijn opgeheven. Volgens de meeste waarnemers vormt juist dit de komende winter het grootste probleem voor de Koerden. Zeker als ze in de bevrijde gebieden zouden worden opgescheept met een aanhoudende stroom vluchtelingen uit het zuiden, zal het toch al precaire evenwicht daar makkelijk verstoord kunnen raken. De pas verworven vrijheid kan dan snel aan glans verliezen.