Het individu dat zich door de chaos wringt

Voorstelling: Dancer-Danger, door Taller Amsterdam en House of Circles. Libretto en regie: Armando Bergallo en Hector Vilche; muziek: Ilse van de Kasteelen en Michael de Roo; decor: Santiago del Coral; choreografie: Philip Taylor. Met: Ilse van de Kasteelen (sopraan), Lucia Meeuwsen (mezzosopraan), Charles van Tassel (bariton), instrumentaal ensemble en Koor Nieuwe Muziek o.l.v. Michael de Roo. Gezien: 6-12 Het Domijn, Weesp. Herhalingen: aldaar op 10, 11, 12, 13 en 14-12. Bussen vertrekken vanaf Museumplein te Amsterdam om 19.15 uur.

De Amerikaanse avantgardist Man Ray schreef aan Tristan Tzara: “Dada cannot live in New York. New York is zelf Dada en zal geen rivaal tolereren - zo het al Dada zal kunnen opmerken.” Vrijdagavond ging in Weesp onder auspiciën van het avantgardistische theater Taller in een co-produktie met het muziektheaterensemble House of Circles een experimentele kameropera in première, die naar goed Dada-gebruik elke logica ontbeerde. Theater zonder psychologische ontwikkeling, geïnspireerd door een bizar object van Man Ray.

Ray werd beroemd door zijn foto's en rayografieën (waarbij het fotopapier direkt, zonder fototoestel, werd belicht), maar hij uitte zich in meerdere disciplines, schreef gedichten en vervaardigde trendgevoelige kubo-futuristische schilderijen en andere objecten die buiten de heersende mode vielen.

Dancer-Danger is er zo een. Het oogt als een functionele machinerie, maar van naderbij beschouwd blijkt het, volgens de regels van Dada, volstrekt nutteloos: tussen de raderwerken ontbreekt elk verband. De Weesper voorstelling wil dat wij dat kapotte mechaniek opvatten als een metafoor voor de verbrokkelde twintigste-eeuwse maatschappij. Hoe is het raderwerk op gang te krijgen, hoe moeten we een eenheid zien te vinden. Kortom, is er nog hoop? Ik was zo vrij het allemaal te laten voor wat het was, geheel volgens Man Ray's eigen uitspraak: de voorkeur gaat uit naar een oeuvre dat een mysterie blijft.

In de voorstelling van Taller (op teksten van Mallarmé, Whiteman, Lorca en Discépolo) is er van de Franse atmosfeer waar Man Ray na 1921 in terechtkwam, eigenlijk vrijwel niets terug te vinden. Wat de Dadaïstische relativering betreft, daar heb ik de hele avond vergeefs naar gezocht.

De speelvloer van Het Domijn is een bizar grote loods - de voormalige militaire opslagplaats langs de spoorlijn naar Amsterdam - gevuld met honderd kubieke meter aarde. Ruw omver gesmeten beelden herinneren enigszins aan de Oosteuropese ontwikkelingen. Een vrolijk theaterstuk is het bepaald niet geworden. Dat blijkt uit het het thema van Odysseus, die na een mislukte thuiskomst opnieuw gaat zwerven - op te vatten als de dwaaltocht van het individu dat zich door de chaos heenwringt.

Ook de muzikale collage, met aan het begin Monteverdi's fanfare en ritornel uit Orfeo en na ongeveer een kwartier Bachs Mattäuspassion, is heel zwaar op de hand. De band met het aandeel van het Koor Nieuwe Muziek klinkt bijzonder poëtisch, maar ook wat stereotype. Opmerkelijk is de plooibare bijdrage van het drietal musici (rieten en slagwerk), die toch vrijwel geheel uitgeschreven is. Ook de regie ontkwam niet aan stereotypen (veel geren als de muziek opwindender wordt), maar het is dan ook geen geringe opgave om zo'n reusachtig toneel met slechts drie vocalisten, twee dansers, een acteur en een rat met het formaat van een paard te moeten vullen. Heel mooi was de belichting, maar eigenlijk ook hier weer te voorspelbaar. Kortom, er viel veel te genieten van op zichzelf boeiend materiaal (fraaie klanken, verrassend toneelbeeld, mooie kleuren) dat echter, eenmaal in beweging gebracht, toch teleurstelde.