Het Europese bedrijfsleven kijkt bezorgd naar Maastricht

Tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de EG waren de schijnwerpers vooral gericht op de politieke aspecten van de Europese samenwerking.

In het brandpunt van de belangstelling staat het buitenlands- en veiligheidsbeleid. Ingewikkelde zuilenconstructies worden bedacht om de verschillende vormen van communautaire en intergouvernementele samenwerking samen te brengen onder een gemeenschappelijk Europees dak. Het zijn discussies die door de hoge graad van abstractie nog slechts door ingewijden kunnen worden gevolgd. Dat de besluiten van Maastricht ingrijpende gevolgen zullen hebben voor de toekomstige sociaal-economische ontwikkeling van Europa, voor de concurrentiepositie ten opzichte van de handelspartners en daarmee voor de welvaart van de burgers, blijft onderbelicht.

Het zal dan ook niemand verbazen dat het Europese bedrijfsleven de onderhandelingen op de voet volgt. Voor ondernemingen staan er grote belangen op het spel. De operatie van liberalisering en deregulering op Europese schaal werd ingezet door het Witboek van Lord Cockfield, met als belangrijkste doelstelling: vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen. Maar nog voordat het uiteindelijke doel is bereikt dreigt het te worden gedwarsboomd doordat in het Verdrag een aantal dirigistische, marktregulerende bevoegdheden op centraal Europees niveau worden opgenomen.

Vrijwel onopgemerkt zijn in de ontwerp-teksten bepalingen opgenomen die de Europese overheid de bevoegdheid zullen geven diep in te grijpen in het sociaal-economisch bestel van de lidstaten. Zo werd uit het oog verloren dat de oorspronkelijke opzet van het EPU gericht was op een grotere efficiency in de besluitvorming in Brussel. Subsidiariteit, een begrip dat in de aanloop tot de intergouvernementele conferenties nog furore maakte bij het streven naar een effectieve verdeling van bevoegdheden en taken tussen nationaal en Europees niveau, is geheel van het toneel verdwenen. In plaats daarvan lijkt het alsof een aantal lidstaten er op uit is overheidsinterventie, die op nationaaal niveau niet meer tot de mogelijkheden behoort, nu in het EG-Verdrag op supranationaal niveau te introduceren.

Op aandrang van sommige lidstaten zou de Europese Commissie de bevoegdheid moeten krijgen een sectorgericht industriebeleid te gaan voeren. Zo'n beleid is in Nederland, compleet met de daarbij behorende speerpunten, aandachtsgebieden en handelspolitieke protectie, allang bijgezet in de catacomben naast andere tevergeefse pogingen van de overheid om op dirigistische wijze in het vrije marktproces in te grijpen om richting te geven aan de sociaal-economische ontwikkeling. Dat inzicht zal in Europa opnieuw moeten worden bevochten. Bovendien ligt er een voorstel om de Europese Gemeenschap bevoegdheden te geven in te grijpen in de sociale verhoudingen in de lidstaten op een manier die in ons land sinds 1982 achterhaald is.

In het nieuwe concept-verdrag wordt ook voorgesteld dat op Europees niveau in de toekomst "blauwdrukken' voor transeuropese netwerken worden opgesteld. De Europese Gemeenschap zou bevoegdheden krijgen om vanuit Brussel het energiebeleid in de lidstaten voor te schrijven. Daarnaast wordt ook de mogelijkheid geopend op centraal Europees niveau zelfstandige regelgeving ten behoeve van een consumentenbeleid te ontwikkelen.

Onder druk van een aantal lidstaten wordt verder voorgesteld de cohesie een wezenlijk onderdeel van het EG-verdrag te maken; dat wil zeggen dat de mogelijkheid om een regionaal beleid te voeren wordt versterkt. Dit zou dan vorm krijgen door grote inkomensoverdrachten via de structuurfondsen en andere centraal op te tuigen overhevelingsmechanismen. Hierdoor dreigt het gevaar dat de zuidelijke lidstaten alleen nog bereid zijn mee te werken aan voortgang van de Europese integratie, als hier een passende geldelijke tegemoetkoming aan verbonden is. Doordat er geen enkele garantie is dat deze extra gelden ten goede komen aan de verbetering van de aanbodstructuur in de achtergebleven regio's, moet worden gevreesd dat deze extra impuls zal leiden tot pure inkomensoverdrachten.

Deze voorbeelden geven aan dat op sociaal-economisch gebied een aantal verdragsveranderingen wordt voorgesteld, in de zin van overdrachten van bevoegdheden naar een centraal niveau, dat schadelijk kan zijn voor de werking van de Europese markt en daarmee voor de welvaart van Europa. Het Europese bedrijfsleven vreest dat de regeringen van de lidstaten in hun ijver enerzijds zoveel mogelijk bevoegdheden in het Verdrag op te nemen en anderzijds zoveel mogelijk nationale soevereiniteit te behouden, door de bomen het bos - de Europese markt - niet meer zien. En dit terwijl de boodschap van het bedrijfsleven toch eigenlijk heel eenvoudig is.

Die boodschap is simpelweg dat, waar het de sociaal-economische ontwikkeling van de gemeenschap betreft, het zo goed mogelijk functioneren van de vrije - Europese - markt absoluut centraal dient te staan. Voordat sturende bevoegdheden worden toebedeeld aan overheden op Europees dan wel nationaal niveau, moet eerst goed bekeken worden of überhaupt ingrijpen van de overheid noodzakelijk is en of één en ander niet aan de werking van het marktmechanisme kan worden overgelaten. Hierbij zijn inbegrepen afspraken die door marktpartijen, op bedrijfs-, bedrijfstak-, regionaal, nationaal of Europees niveau, in onderling overleg kunnen worden gemaakt en die overheidsregulering overbodig maken.

Indien blijkt dat aan overheden bepaalde bevoegdheden moeten worden toegekend, zal om dubbele regelgeving te vermijden, een keuze moeten worden gemaakt tussen nationaal (of regionaal), dan wel Europees niveau. Daarbij zouden uitsluitend die bevoegdheden voor overdracht aan de Europese instellingen in aanmerking komen die qua omvang en gevolgen de nationale grenzen te buiten gaan (zoals bijvoorbeeld het monetair beleid in het kader van de EMU) of die bij uitoefening op nationaal niveau de werking van de markt verstoren.

Een belangrijk deel van deze problematiek is al opgelost door het Witboek van de interne markt. Problemen doen zich op dit moment vooral voor op het gebied van het milieu.

Hoe dan ook zou er geen overdracht van bevoegdheden moeten komen die even goed en zelfs beter op nationaal niveau c.q. regionaal niveau kunnen worden uitgeoefend.

De EG-lidstaten staan aan de vooravond van een fundamentele beleidskeuze over de toekomstige sociaal-economische ontwikkeling van de Gemeenschap. In de komende jaren zal een zwaar beroep worden gedaan op de financiële draagkracht van de Gemeenschap. In Oost- en Midden-Europa wordt op onze hulp gerekend. De wereldhandel krijgt, als de GATT-onderhandelingen in het kader van de Uruguay-Ronde niet tot een goed einde gebracht worden, te maken met ernstige handelspolitieke conflicten. De economische problemen van de ontwikkelingslanden zijn nog steeds zeer groot.

Hoe moet de Gemeenschap deze uitdagingen tegemoettreden? Kan de Gemeenschap dat in de vorm van een in zichzelf gekeerd bastion met een interne, door centralistische overheidsbemoeienis gereguleerde markt, met veel aandacht voor de interne coherentie en aan de buitenzijde een daarbij behorende tolmuur?

Uiteraard niet. Wat Europa nodig heeft, is een krachtig bedrijfsleven, dat in staat is om zich in de steeds heftiger internationale concurrentiestrijd staande te houden. Er is een open geïntegreerde Europese markt nodig, met een minimum aan overheidsbemoeienis.

Interventionisme en dirigisme in de vorm van sectorgericht industriebeleid, ingrepen in het sociaal beleid in de lidstaten en een niet-marktgericht streven naar coherentie ondergraven langzaam maar zeker de internationale concurrentiepositie van de Europese ondernemingen.

De politiek kan vele bevoegdheden vastleggen in het Verdrag, maar indien de economische motor van de Europese integratie, de Europese industrie, wordt verwaarloosd en het vrije marktproces te zeer wordt gehinderd door interventies van elkaar aanvullende en soms bestrijdende bestuurslagen op Europees, nationaal en regionaal niveau, dan verwordt de EPU tot een nieuw baken dat de verkeerde richting aangeeft. Ofwel, om in de termen van de decembermaand te blijven: een kerstboom met veel nieuwe ballen maar met een wazige, misleidende verlichting.