Haantje (40) wil nog een gokje wagen

Voorstelling: Cerceau van Viktor Slavkin door Het Nationale Toneel. Vertaling: Anne Stoffel; regie: Jos Verbist; decor: Niek Kortekaas; spel: Rudolf Lucieer, Guusje van Tilborgh, Jacqueline Blom e.a. Gezien: 6-12 Koninklijke Schouwburg Den Haag. Nog te zien daar en elders t-m 1-

Het is tegen het eind van het eerste bedrijf als Rudolf Lucieer in de rol van Petoesjok plotseling zijn goede humeur verliest en met dramatische stem uitroept: “Ik ben veertig jaar! Maar ik zie er jong uit!” Cerceau, het uit 1985 daterende toneelstuk van de Russische schrijver Viktor Slavkin dat nu door Het Nationale Toneel wordt opgevoerd, had aanvankelijk als titel "Ik ben veertig, maar zie er jonger uit'. Op één na zijn alle personages in het stuk een jaar of veertig; jong zijn ze niet meer maar ook niet te oud om nog iets nieuws in het leven te beginnen, meent Petoesjok: “Als we vijftig zijn is het te laat, maar op je veertigste kan je nog wat wagen, verdomme!”

Petoesjok, ook wel Haantje genoemd, wil zo'n gokje wagen. Hij heeft een aantal vrienden uitgenodigd om te komen logeren in een vervallen zomerhuis dat hem is nagelaten door een pas overleden oudtante. Zijn ideaal is, zo blijkt al gauw, daar een commune te beginnen en hij vraagt of de anderen met hem in het huis willen samenwonen. Geen van de gasten voelt echt voor het idee en na een weekend bij elkaar te zijn geweest wordt het huis opnieuw dichtgetimmerd. Het experiment lijkt mislukt, al zou uit de laatste woorden van één der gasten afgeleid kunnen worden dat ze het plan misschien toch nog eens zullen uitvoeren.

Wat dat betreft ziet de situatie er minder triest uit dan in Tsjechovs De Kersentuin waarmee Cerceau wel is vergeleken. In een brief aan de Duitse vertaalster van zijn stuk (te vinden in het tekstboekje van Cerceau) beaamt Slavkin dat de plot en sommige personages doen denken aan De Kersentuin, maar, schrijft hij, de overeenkomsten berusten niettemin op toeval. Belangrijk verschil met Tsjechov is dat Slavkin de zwaarmoedige ondertoon van het stuk vergezeld laat gaan van een lichte ironiserende stijl, waardoor zijn stuk een wonderlijke en bijzondere mengeling is geworden van psychisch realisme en absurdisme.

In de door Jos Verbist geregisseerde voorstelling bij Het Nationale Toneel is de enigszins vervreemdende sfeer zichtbaar gemaakt in het mooie toneelbeeld van ontwerper Niek Kortekaas. Aan de zaalkant is het podium omlijst door een reusachtige, iets gekantelde schilderijlijst; op de achtergrond zien we de voorgevel van een verwaarloosd houten huis. De positie van het huis is in elk van de drie bedrijven anders: eerst staat het achter op het toneel, in het tweede bedrijf is het naar voren geschoven tot vlak achter de schilderijlijst en in het laatste bedrijf hangt het scheef in de lucht als een soort luchtkasteel, symbool van een gedroomde werkelijkheid.

In zijn enscenering heeft Jos Verbist het luchtige benadrukt. Lars bij voorbeeld, de enige niet-Rus in het stuk en een beetje een buitenstaander, heeft een bijna clowneske functie gekregen. Luk D'Heu zet hem neer als een oude morsige zonderling, een veredelde zwerver die in het gezelschap graag de pias uithangt. De anderen gedragen zich luidruchtig en in het tweede bedrijf wordt de stemming zelfs feestelijk met muziek, drank en het spel "cerceau' waarbij men in de lucht geworpen ringen met lange stokken moet opvangen.

Een wat zielloze vertoning daarentegen is de bijeenkomst op het dak van het huis waar Jacqueline Blom als de jonge Nadja liefdesbrieven voorleest van Petoesjoks oudtante. Geen enkele emotie weet ze met haar spel op te roepen en ook de andere spelers die elkaar citeren uit gefingeerde brieven missen overtuigingskracht. Wat ze laten zien is te glad, te veel buitenkant en dat geldt eveneens voor de voorstelling als geheel. Deze is adequaat vormgegeven, maar ze raakt me niet.