Een verre neef, uit Bandoeng

Op het christelijke kerkhof van Bandoeng, even buiten het centrum, heerst een weinig gewijde sfeer. Kinderen spelen tussen de scheefgezakte zerken en overal zitten en slenteren mannen met de eeuwige sigaret, zoals overal in de stad.

Er is daarentegen geen verkeer en de horde verkopers van eten en bloemen houdt zich op buiten de poort - een situering die wellicht de aanwezigheid verklaart van een viertal bij de poort rondhangende en rokende geüniformeerden. Deze laatsten hebben mij met een vaag wijzend handgebaar het kerkhof op gestuurd. Ik zoek het graf van mijn vaders neef dat zich hier of in Tjimahi op een Nederlandse militaire begraafplaats moet bevinden. Gezien de staat van de Indonesische graven verwacht ik de Nederlandse op zijn minst in een overwoekerd vergeethoekje - zo er al niet geiten en kippen huizen. Een groepje jongetjes onderbreekt een spel tussen het verweerde steen om de weg te wijzen; “Oh, u zoekt de Nederlandse helden?” - ze rennen vooruit. Heb ik het nu verkeerd verstaan; helden? Of zeiden ze "lawan' (vijand) in plaats van "pahlawan' (held)? Indonesische schoolkinderen zullen zulk een benaming toch niet leren voor de soldaten van de "politionele' acties?

Dan komen we bij een meer dan manshoge stralend witgekalkte muur. Aan weerszijden van een zo te zien net geverfd zwart ijzeren hek, afgewerkt met onlangs gepoetst koper, staat levensgroot "Ereveld Pandu'. Ik moet - door het hek reikend - een, alweer glimmend gepoetste, bel luiden. “Het kan even duren”, zegt een van de jongetjes en trekt een slapend gezicht - zijn vriendjes lachen. Ze moeten toch "helden' hebben bedoeld want alleen in zeer bijzondere gevallen, bijvoorbeeld de residentie van een provinciaal gouverneur, ziet in Indonesië er iets zo schoon en onderhouden uit. Door de spijlen van het hek zie ik een met coniferen bezoomde laan leidend naar een groot wit monument ter herdenking van de gevallenen. Het gras is geschoren, nergens liggen snoepzakjes of peuken.

Een jonge Indonesiër komt op een brommer naar het hek gereden, opent het en laat alleen mij binnen. Bij het monument overkomt mij het oorlogsgrafgevoel; overrompeling door de aanblik van, in vierkante symmetrie en opnieuw smetteloze orde, eindeloze rijen somber-witte kruizen, de verlorenheid van één levende bij al die doden en een mateloze woede over zinloos sterven voor ijdele belangen. Nu weet ik zeker dat mijn verre neef hier begraven ligt.

De jongen heeft in een gebouwtje registers van alle erevelden die door een Nederlandse stichting worden onderhouden. Hij is vaste beheerder en slijt zijn dagen in eenzaamheid bij de kruizen om, zo door het jaar heen, één keer in de 10 à 14 dagen het hek te openen voor bezoekers. Met bonzend hart zoek ik in de registers - ik weet alleen zijn naam, voorletters en ongeveer het jaar van overlijden. Eén naam voldoet aan mijn gegevens, in het register van dit ereveld.

Even later sta ik oog in oog met mijn familienaam. Mijn neef is in juni 1949 omgekomen - een tijdstip dat zijn dood nog zinlozer lijkt te maken; een paar maanden voor de wapenstilstand en zó kort voor de soevereiniteitsoverdracht van december 1949. Hij was eenëntwintig jaar. Komt het omdat ik niet veel ouder ben en mijn naam daar staat in zwarte letters? Ik voel een vreemde verwantschap met deze verre neef; bij dit graf lijkt mijn bestemming te liggen, daar rust ik of ten minste een deel van mijzelf.

Bij de beheerder krijg ik gratis een bloemstuk om op het graf te leggen. Hij verzoekt mij het gastenboek te tekenen en ziet dat ik de jongste ben. De meeste mensen complimenteren in het gedeelte "opmerkingen' de stichting met de keurige staat van de graven.

Er is iets merkwaardigs aan deze plek; hij ligt een beetje boven de stad, het waait er verkoelend, het is er stil en - op de beheerder na die beleefd op afstand blijft - ben ik alleen. Middenin dit van mensen en auto's krioelende deel van Java, waar je nooit alleen bent, immer wordt belaagd door verkopers, mensen die Engels willen leren, waait een stille bries. Het is volslagen on-Indonesisch; dit is echt - met de ambassade - één van de laatste stukjes Nederland of eerder Nederlands-Indië, in Indonesië.

Terug op het Indonesische kerkhof is de rust spoedig voorbij. Er nadert een begrafenisstoet. Voor de rouwenden uit rijdt een bus met de dode wiens kwaliteiten worden herdacht door schallende luidsprekers op het dak.