Een prijs voor wetenschap in dienst van de mensenrechten

Overal ter wereld worden mensenrechten geschonden en vaak is er sprake van ernstige schendingen van fundamentele rechten. Mensen worden gemarteld, "verdwijnen' zo maar, of worden doodgeschoten zonder vorm van proces. Meestal zijn het leden van de oppositie of anderen wier daden of opvattingen de heersers in hun land niet welgevallig zijn. Uit het recente verleden herinneren wij ons rapporten over landen als Chili, Oeganda, Cambodja, Zuid-Afrika of de Sovjet-Unie, om enkele van de belangrijkste te noemen. Nu, in 1991 staan China, Guatamala, Indonesië, Irak, Turkije en Peru bovenaan de lijst.

Schendingen van de rechten van de mens zijn internationaal verboden op grond van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 en tal van andere internationale overeenkomsten en regelingen. Martelen mag niet. Nooit. Toch gebeurt het. Het probleem is dat er internationaal geen politie of rechterlijke instantie bestaat die toeziet op de naleving van de internationaal vastgelegde normen en tegen schendingen ervan optreedt. De Verenigde Naties doen hun best. Elk jaar bespreekt de VN-commissie voor de Rechten van de Mens rapporten over dit soort schendingen. Bijvoorbeeld die van de Nederlander professor Kooijmans, rapporteur van de Verenigde naties voor martelingen, of van de Keniaanse advocaat Wako, VN-rapporteur voor standrechtelijke en willekeurige executies. En niet te vergeten het rapport van de VN-werkgroep over onvrijwillige verdwijningen.

Het werk van gouvernementele organisaties als de Verenigde Naties en niet-gouvernementele organisaties als Amnesty International ten behoeve van de mensenrechten is goed, nuttig en belangrijk. Maar het blijft in belangrijke mate symptoombestrijding: men keert zich tegen schendingen van de mensenrechten die zich in de praktijk voordoen, maar komt aan de aanpak van de eigenlijke oorzaken niet of nauwelijks toe. Dat is de belangrijkste reden geweest waarom de oud-voorzitter van de Nederlandse afdeling van Amnesty International, Dam Backer, in 1987 het initiatief nam tot oprichting van de stichting PIOOM: Projecten Interdisciplinair Onderzoek naar Oorzaken van Mensenrechtenschendingen''.

Het doel van PIOOM is een bijdrage te leveren aan de bestrijding van veel voorkomende ernstige schendingen van fundamentele mensenrechten door het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek. Met andere woorden: de wetenschap in dienst stellen van de bevordering van de mensenrechten. Het is de bedoeling te komen tot een mobilisering van de academische wereld ten behoeve van de bestrijding van ernstige mensenrechtenschendingen. De achterliggende gedachte is dat het zoeken naar verklaringen voor het verschijnsel ernstige mensenrechtenschendingen een bijdrage kan leveren tot het wegnemen van die verschijnselen zelf. In opdracht van de Nederlandse afdeling van Amnesty International verrichtte de aan de Leidse Universiteit verbonden politicoloog, Alex Schmid, een voorondenrzoek dat in 1988 resulteerde in de publikatie Research on Gross Human Rights Violations (GHRV): A Programme.

Dit door Schmid ontworpen werkprogramma omvatte de volgende onderdelen:

Een wereldwijd overzicht van conflicten in de jaren 1980 die gepaard gingen met grove en systematische schendingen van de mensenrechten. De omstandigheden - zoals regimewisselingen - met betrekking tot grove en systematische schendingen van de mensenrechten in binnenlandse conflicten sinds 1960, meer in het bijzonder in Latijns-Amerika. De rol van politie- en gevangenisfunctionarissen bij grove en systematische schendingen van de mensenrechten, de rol van militairen, van burgerwachten en doodseskaders, van speciale eenheden en veiligheidsdiensten en de actieve en passieve bijdrage van gerechtelijke autoriteiten aan buitengerechtelijke executies en dergelijke.

Inmiddels is er het één en ander in gang gezet. Het tot nu toe belangrijkste onderzoeksproject heeft tot onderwerp de rol van de staat en staatssectoren bij het op touw zetten van grove en systematische mensenrechtenschendingen in Argentinië, Brazilië, Chili en Uruguay sedert 1960. Dit onderzoek, dat door de stichting Nederlands Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) wordt gefinancierd, wordt verricht door de Duitse politicoloog Wolfgang Heinz. Mede dank zij het feit dat in die landen inmiddels regime-wisselingen zijn geweest, is hij erin geslaagd tal van vooraanstaande oud-militairen te interviewen over hun aandeel in martelpraktijken en onvrijwillige verdwijningen. Dat heeft belangrijk materiaal opgeleverd dat wordt verwerkt tot een publikatie.

Er is ook een vergelijkend onderzoek gaande naar de verschillen in praktijken op het gebied van de rechten van de mens in Costa Rica en Guatamala, een parallel onderzoeksvoorstel voor vier landen in Zuidoost-Azië, waaronder Indonesië en een gepland onderzoek naar de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters en de veiligheid van advocaten in een aantal landen in Azië en Afrika. De stichting NWO financiert verder een onderzoek naar de rol van veiligheidsdiensten bij ernstige schendingen van de mensenrechten. Binnenkort zal een onderzoek beginnen naar martelingen vanuit het perspectief van de folteraar en zijn superieuren: lessen voor de slachtoffers en derden op basis van uitspraken en ego-documenten van folteraars.

Al deze onderzoeken worden gepland en begeleid vanuit een klein secretariaat, dat wordt geleid door prof. Alex Schmid en dat is gevestigd bij het Centrum voor Onderzoek van Maatschappelijke Tegenstellingen van de Leidse universiteit. Voor de organisatie en bemanning van dit secretariaat heeft het ministerie van onderwijs en wetenschappen tot en met 1982 geld beschikbaar gesteld. Daarna zullen elders financiële bronnen moeten worden gevonden.

Door het organiseren van symposia worden onderzoekers in staat gesteld de resultaten van hun werk voor te leggen aan een wetenschappelijk forum. Tot nu toe heeft PIOOM drie van dergelijke symposia georganiseerd met als onderwerpen: ernstige en systematische mensenrechtenschendingen (oktober 1988); het houden van toezicht als instrument (april 1990); beulen en hun superieuren (oktober 1981).

Aan deze symposia werd deelgenomen door wetenschapsbeoefenaren uit binnen- en buitenland. De resultaten ervan worden in boekvorm gepubliceerd.

Met een twee maal per jaar verschijnend tijdschrift, de PIOOM Newsletter and Progress Report, houdt het secretariaat belangstellenden op de hoogte van de voortgang van de werkzaamheden. Dit tijdschrift verschijnt, evenals de andere PIOOM-publikaties, in het Engels. De oprichters van PIOOM zijn zich er van meet af aan van bewust geweest dat de aard van de werkzaamheden zich niet diende te beperken tot het Nederlandse taalgebied. Het is min of meer toevallig dat het initiatief voor PIOOM in Nederland is geboren, maar het is van essentieel belang wetenschapsbeoefenaars over de gehele wereld te mobiliseren. Daarom is een begin gemaakt met de opbouw van een internationaal netwerk waarvoor inmiddels wetenschapsbeoefenaars uit vele landen belangstelling hebben getoond. Zo is onlangs in Duitsland in een rapport over het internationale onderzoek op het gebied van martelingen aan de regering van de deelstaat Noordrijn-Westfalen voorgesteld een "PIOOM-Zweigstelle' op te richten.

Eens in de twee jaar wordt de PIOOM-prijs uitgereikt voor de beste studie over de oorzaken van mensenrechtenschendingen. Deze prijs, die bestaat uit een geldbedrag van ƒ 2000,- en een certificaat, wordt op de dag van de rechten van de mens uitgereikt, voor het eerst op 10 december 1991.

De prijs gaat dit jaar naar de Amerikaanse socioloog, dr. Helen Fein, voor haar studie over een sociaal-wetenschappelijk perspectief op het verschijnsel genocide. Zij definieert dit verschijnsel als een handeling direct of indirect gericht op de fysieke vernietiging van een collectiviteit, door het beletten van de biologische en sociale voorplanting van de leden van een groep. In haar studie bespreekt zij een aantal verklaringen van het verschijnsel genocide en vergelijkt ze de pogingen tot vernietiging van joden, Armeniërs, inheemse volken met name in Noord-Amerika, en genocide in de communistische landen. Formeel gaat het om een overzicht van de bestaande wetenschappelijke literatuur, maar haar commentaren en kritiek maken deze publikatie tot een oorspronkelijke wetenschappelijke bijdrage.