Witte chocolade

Aan het zondagontbijt zegt mijn veertienjarige Daan met iets valkuilachtigs in zijn stem:

“Jij weet volgens mij héél veel, hè?”

“Dat valt mee”, zeg ik smerig zelfingenomen. “Maar ik weet wel het een en ander, ja.”

“Maar je weet niet àlles.”

“Natuurlijk weet ik niet alles. Dat bestaat niet. Geen mens kan àlles weten.”

“Weet je wat ik nu zo raar bij jou vind? Dat je wel altijd dòet alsof je alles weet. Heb je ook liefdesgedichten geschreven?”

Ik knik, nu heel bedeesd en op mijn hoede, zo bescheiden mogelijk van ja. Hij vraagt of hij ze mag lezen. Natuurlijk mag je dat, zeg ik verheugd over de plotselinge interesse van mijn zoon voor gedichten.

“Die zijn niet goed”, zegt hij als hij er een paar heeft gelezen. Veel te grof. Die kan ik absoluut niet gebruiken. Heb je van andere goeie dichters iets op het gebied van de liefde?”

Ondanks mijn lichte teleurstelling glunder ik toch. Zie je wel dat ik gelijk heb. Je moet een kind nooit iets opdringen. Vroeg of laat barst het vuur van de kunstinteresse los. Dan is zo'n jongen niet meer te stuiten en leest zich suf. Maar nadat ik hem een hele stapel bundels voorgelegd heb die hij zorgvuldig doorbladert, toont hij geen enkel enthousiasme. Teleurstelling over zoveel woorden, die niet aan zijn verwachtingen voldoen.

“Kijk, het zit zo”, zegt Daan. Ik ben namelijk verliefd en daar heb ik liefdesgedichten voor nodig. Ze las op school een liefdesgedicht voor en keek me af en toe zó aan dat ik denk dat ze ook verliefd is op mij. Wat vind jij nu een goeie om voor te lezen door de telefoon zo dadelijk?”

"Ik denk altoos aan u, als aan die dromen,- Waarin, een gansen, langen zaalgen nacht,- Een nooit gezien gelaat ons tegenlacht,- Zó onuitspreek'lijk lief, dat, bij het dromen-...'

“Dat is niks. Veel te ouderwets. Dan altijd nog: Ik denk altijd aan jou.”

"Wij komen nooit meer saam:- De wereld drong zich tussenbeide.- Soms staan we beiden 's nachts aan 't raam,- Maar andere sterren zien we in andre tijden.'

“Die kan ik gebruiken, maar dan maak ik er wel "Wij komen ooit weer saam' van.'

"Zoals de koelte 's nachts langs lelies- en langs rozen- als wit koraal en parels diep in zee- zoals wat schoon is rustig schuilt- maar straalt wanneer ik schouwen wil- zo meen ik dat ook jij bent.'

“Heel mooi”, zegt Daan. “Zo is ze namelijk zelf ook. Luister ik zal je deze voorlezen. Ken je het? "De hemel loopt vol sterren, wind en water- gaan voor ons uit, wij ruiken van elkaar- de drift der schouders, weemoed van het haar- daglang verzilt, verzond in licht en water.- Wij zijn nog jong en angstig van verlangen- in deze zomeravond, die ons warm verheft- boven onszelf en ons met zwijgen treft,- dat zij het eerst verbreekt, hees en bevangen.- Ik weet geen wederwoord, mijn hand te moe- om haar te strelen, zoekt naar rust en koelte,- ik voel haar nagels met mijn vingertoppen...- En plotseling verliest mijn stem haar zwoelte,- ik spreek haar aan en lach om wat ik doe- diep in mij, vlak waar'k mijn hart voel kloppen.' Zo voel ik mezelf ook altijd als ik naast haar loop. Je moet natuurlijk niet te lang voorlezen, maar ik moet er nog twee hele goeie hebben.”

"Nu lig je daar- in je eentje slapend- geen vinger beroert je- geen woord wil in je oor- geen blik bekijkt je- je droomt jezelf tot een gedachte- je bent het beeld- dat je niet raakt.'

“Die is ook mooi omdat het juist door de telefoon gaat en het woord wel in haar oor mòet. Die neem ik er ook bij.”

Nadat hij weer een hele serie heeft afgekeurd waaronder "Terwijl opa D. de grond- werd ingetakeld- dacht ik aan jou' en "We zagen hondjes spelen op het gras- Ik dacht aan jou, aan hoe je was' veert hij van zijn stoel en juicht: “Deze, deze moet ze horen:” "Ik herken haar,- met een mondvol witte- chocolade staat ze- op de straathoek;- in haar krulletjes ritselt,- als een strijkage die ons- nog even verbindt,- nog altijd dat briesje- van haar.'

Later, nadat hij een half uur in algehele afzondering heeft getelefoneerd, komt hij stralend bij me zitten.

“Bij het laatste gedicht moest ze huilen. Wat kunnen meisjes raar doen, hè, als ze verliefd zijn, ze is namelijk dol op witte chocolade.”