WIM EN HETTY WERTHEIM; Wereldverbeteraars zonder zelfrelativering

Vier wendingen in ons bestaan. Indië verloren, Indonesië geboren door Wim Wertheim en Hetty Wertheim-Gijse Weenink 367 blz., De Geus 1991, f 49,50 ISBN 90 5226 026 5

Toen Hetty en Wim Wertheim zich voor een rustige levensavond wilden vestigen in een nette serviceflat in Wageningen waren de mede-bewoners er niet gerust op. Er werd protest tegen hun komst aangetekend: men zag de linkse affiches al voor de ramen hangen. Zijn veelkantige reputatie als uitgesproken anti-kolonialistisch socioloog - Wertheim was van 1946 tot 1972 aan de Universiteit van Amsterdam hoogleraar "Geschiedenis en sociologie van Indonesië' - was hem vooruitgeijld. Blijkbaar hebben de buren hun bezwaren laten varen: Wertheim woont er nog, al is zijn vrouw hem in 1988 ontvallen.

De koesteraars van "het gelijk van rechts' hebben in Wertheim een dankbaar mikpunt, en niet alleen vanwege zijn socialistische idealen. Op de een of andere manier denk ik niet dat de dit jaar verschenen memoires van het echtpaar Wertheim, Vier wendingen in ons bestaan, daarin veel verandering zullen brengen. Wat bovenal naar voren komt in dit wijdlopige boek, dat handelt over de jeugd van de Wertheims tot de definitieve overtocht naar Nederland in 1946, is een curieuze, maar misschien voor deze eeuw zeer exemplarische combinatie van rechtlijnig idealisme en een in de jaren negentig bijna onnavoelbare naïviteit.

Wertheim was volslagen groen toen hij in 1931 zijn heil als carrière-ambtenaar zocht in Nederlandsch-Indië. Zijn begrip voor het nationalisme aldaar groeide juist in een tijd dat Nederland zijn grip op het land begon te verliezen. De westerse houding tegenover kolonialisme heeft tijdens het leven van Wertheim een enorme verandering ondergaan en het zou mooi zijn geweest als hij in zijn boek had getracht die complexe ontwikkelingsgang uiteen te rafelen.

Het lijkt erop dat Wertheim zoiets heeft geprobeerd: ""Ik meen, dat een schets van dit innerlijk proces (van de overtuiging van de onrechtvaardigheid, onhoudbaarheid zelfs, van het koloniale systeem naar de sympathie voor het Indonesische vrijheidsstreven) bij ons beiden het meest wezenlijke kenmerk is van wat wij in dit boek tot uitdrukking hebben willen brengen'', schrijft hij. Zoals wel vaker met hooggestemde boeken het geval is, komt daar dus weinig van terecht.

Eerder dringt zich het beeld op van een al te oprecht en in zijn milieu onzeker iemand, die goed om zich heen keek en luisterde, weinig loyaliteit met de eigen gemeenschap voelde en soms snel zich het standpunt van anderen eigen maakte. Die maatschappelijke onzekerheid uit zich in een stug volgehouden "name-dropping'. Gevoel voor de tijdgeest lijkt de belangrijkste verdienste te zijn, omdat anderen die missen.

Evenzeer valt echter het gebrek aan zelfrelativering van Wertheim op, zelfs zo dat dit boek er onder gebukt gaat. Waar Wertheim iemand omschrijft als ""als mens een heel sympathieke figuur, maar niet vrij van een zekere breedsprakigheid en ijdelheid'' had hij het over zichzelf kunnen hebben. Maar dit alles zijn lezersemoties die niet verrassen voor wie de loopbaan van Wertheim enigszins heeft gevolgd. Wat blijft, is het intrigerende gevoel met deze memoires een vergaan wereldbeeld, een verloren werkelijkheidsopvatting en een voorbije bewustzijnstoestand binnen te treden.

JOODSE BOURGEOISIE

Zeker naar vooroorlogse begrippen kwamen zowel Wim als Hetty uit middle class milieus. Haar vader, een burgemeesterszoon, was inspecteur van de Rotterdamse politie en werd een jaar voor haar geboorte in 1903 benoemd tot directeur van het "Derde Gesticht van de Rijkswerkinrichtingen voor bedelaars en landlopers' te Veenhuizen. In 1911 werd hij directeur van de Bijzondere Strafgevangenis in Scheveningen. Wims vader stamde uit de joodse bourgeoisie van Amsterdam en werd kort voor Wims geboorte in 1907 opgenomen in de directie van de Russische dochtermaatschappij van een Amsterdams levensverzekeringsbedrijf met zetel te Sint Petersburg. In de nadagen van de Eerste Wereldoorlog vluchtte hij met zijn moeder en oudere broer naar Nederland.

Onwetend van elkaars bestaan bezochten Wim en Hetty het gymnasium in Den Haag en studeerden rechten in Leiden, Hetty vanuit het ouderlijk huis, Wim het eerste jaar ook. Dit was, meldt Wertheim, ""een betrekkelijk rustige periode in mijn leven''. Van Hetty wordt tenminste nog een lidmaatschap van de VVSL gemeld, van Wim niets: die is blijkbaar als "nihilist' door zijn studietijd gerold. Zijn enige activiteiten buiten de studie waren schaken en pianospelen, Hetty's bezigheid was het zingen en van haar begeleider werd Wim in 1928 haar verloofde, in 1930 haar man.

MAX HAVELAAR

In 1928 jaar studeerde Wim ook af, maar zonder enige praktische ervaring was het in de crisistijd niet gemakkelijk aan de bak te komen. Via een advertentie in de krant kwam aan de ongewisheid een eind: ambtenaren gevraagd voor Nederlandsch-Indië.

Met de Max Havelaar in de koffer vertrokken de Wertheims in januari 1931; een vaste betrekking wachtte in Tandjong Karang op Sumatra als opsteller van tenlasteleggingen. Hadden ze de collegebanken in Nederland nog met Indiërs gedeeld, aan boord van de "Insulinde' werd het hen duidelijk gemaakt voortaan zoniet in denken dan toch in doen onderscheid te maken. Dat ging zonder vragen. In de woorden van Hetty: ""Overdreven maaltijden, opgeschroefde feesten en altijd aanwezige slaven, van schier beklemmende onderdanigheid. (...) Ook wijzelf hebben in de eerste jaren weldegelijk een tik van de molen beetgehad.''

Het verblijf op Sumatra zou niet lang duren. Denkelijk op aanbeveling vanuit Leiden kon Wertheim al in juli 1931 terecht op het Departement van Justitie, in Batavia, als standplaats toch een stuk aantrekkelijker. Ook de eerste jaren daar verbleven ze binnen de Europese gemeenschap: wat er onder de Indonesiërs leefde was ook voor hen een gesloten boek.

Zoals zoveel Nedelanders kwamen de Wertheims amper inlanders tegen, op het personeel na. Of het moest een collega-jurist zijn, hoewel omgang sterk werd afgeraden: ""Dat moet u werkelijk niet doen.'' Ze deden het wèl, waarop Hetty schreef op een toon die nu flemerig klinkt: ""Deze eerste ervaring, die alle verhalen loochenstrafte, heeft er zeker toe bijgedragen dat althans wat de Indonesische intellectuelen betreft de koloniale mentaliteit ons nooit te pakken heeft gehad.''

Desondanks werd op een heel klassieke manier geleefd, een gezin gesticht en carrière gemaakt. Na nog geen vijf jaar diensttijd werd Wert-heim in 1935 tot referendaris bevorderd. Het jaar erop werd hij, achtentwintig jaar oud, benoemd tot hoogleraar in een aantal vakken aan de Rechtshogeschool in Batavia. Pas daardoor kwamen ze in aanraking met grote groepen Indonesische en in Indië geboren Chinese studenten en docenten. Overigens was de sfeer aan de rechtshogeschool naar koloniale maatstaven bepaald progressief te noemen.

Hij raakte onder de indruk van het hoge niveau van de studenten en het is bijgevolg logisch dat hij in hen gelijkwaardige gesprekspartners zag en zoals hij aan zijn vrouw opmerkte: ""De goede studenten zijn vrijwel allemaal nationalist!'' Met uitroepteken, alsof hem dat verbaasde.

VERLOF

Wertheim stond amper een jaar voor de collegebanken of zijn zes tropenjaren zaten erop, hetgeen recht gaf op een Europees verlof, dat hij opnam van juni 1937 tot juni 1938. De oorlogsdreiging overschaduwde het verlof, maar de ontwikkelingen in Duitsland waren blijkbaar niet zorgwekkend genoeg om zijn ouders over te halen het land te verlaten - ze zouden op 15 mei 1940 zelfmoord plegen.

Wertheims ideëen over de Indonesische onafhankelijkheid moesten in deze tijd kennelijk nog rijpen, want van het verlof maakte hij geen gebruik deze zaak op publieke fora te bepleiten. Opvallend is ook de afstandelijke reactie en afwezigheid van engagement inzake de vervolging van Nederlandse homoseksuelen die in deze tijd in Indië plotseling losbarstte. ""Er werd gefluisterd dat gouverneur-generaal jhr. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer op een morgen met het verkeerde been uit het bed was gestapt en met een Grönnings accent had verkondigd: "Die miet'n moet'n er uut!'.'' De onverwachte aanval op de door vele prominenten bemande homoseksuele scene in Indië was volgens Wertheim wel ""vrij onzinnig'', maar ""strikt juridisch viel weinig op de aanpak van justitie aan te merken''.

Pas met de Duitse bezetting van Nederland raakte Indië in de ban van oorlog. Hetty meldde zich bij de censuur van brieven uit en naar het buitenland, Wim werd benoemd tot lid van de juridische subcommissie van de Commissie voor Rechtsverkeer in Oorlogstijd (CRO), wier taak eruit bestond alle financiële en economische contacten met bezet gebied te verhinderen. Daarnaast was hij soldaat bij de Landstorm, tot grote hilariteit, want de fragiele Wert-heim bleek er weinig geschikt voor.

Zo duidelijk als men de oorlogsdreiging in Europa had zien aankomen, zo weinig gold dat voor Azië, tenminste afgaande op dit boek. Er wordt geen woord besteed aan de opmars van de Japanse troepen en geen moment wordt overwogen naar Australië te vertrekken. De werkzaamheden in Batavia beletten zo'n afweging misschien: op 28 oktober 1941 werd Wim voorzitter van de juridische faculteit, de volgende maand werd hij door de nieuwe Literaire Faculteit gevraagd sociologie te doceren, al nam hij dat laatste niet aan. Daarnaast slokte de Commissie-Vlisman (de Commissie voor Staatsrechtelijke Hervormingen) de nodige tijd. Maar nadat op 9 maart het Nederlandse leger capituleerde, werd Wertheims "registratie' direct omgezet in gevangenschap in de Struiswijk.

Na anderhalf jaar kwam hij terecht in het Tjimahi-kamp, vanaf oktober 1944 in het Baros-kamp. De beschrijving van het kampleven doet sterk denken aan Sint Michielsgestel: veel lezen, elkaar les geven, openbare colleges, muziekavonden en naar illegale stations luisteren. Van de 141.000 geïnterneerde Nederlanders overleefden 26.000 het niet; de honger en de ellende mogen genoegzaam bekend zijn, dat het ook een vruchtbare voedingsbodem bood voor intellectuele uitwisselingen - en in het geval-Wertheim zelfs voor het radicaliseren van zijn inzichten - komt minder vaak naar voren.

Met de overgave van de Japanners op 15 augustus 1945 was de kamp-ellende nog niet voorbij: de poorten gingen maar amper open, het regime werd wel versoepeld maar een spoedige evacuatie kwam niet op gang. De oorlog eindigde in eenzelfde chaos waarmee ze was begonnen. Pas in september werd het gezin-Wertheim weer herenigd.

VALSE START

Al op 17 augustus hadden Soekarno en Hatta echter de onafhankelijkheid uitgeroepen. In de navolgende chaos waren er overvallen en moordpartijen op Europeanen. Ondanks de valse start van Indonesië als zelfstandige staat probeerde Wertheim bij de Nederlandse autoriteiten begrip te wekken voor de wezenlijke betekenis van het vrijheidsstreven. Van Indonesische kant was er voldoende vertrouwen in hem voor een regelmatige gedachtenwisseling: de studenten waren hun leermeester niet vergeten. Eénmaal kreeg hij van de Nederlandse regering de opdracht informeel te polsen of de Indonesische nationalisten bereid waren te onderhandelen. Het vertrouwen van de Nederlandse overheid bleek ook uit zijn benoeming tot lid van de Gebouwencommissie in januari 1946. Het dubbele bestuursapparaat (een Nederlands en een republikeins) èn een Britse bezetting maakte het praktisch wenselijk tot toewijzing van overheidsgebouwen te komen. Aan Wertheims "pendeldiplomatie' kwam half februari 1946 een einde met zijn vertrek naar Nederland en de aanstelling als hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, een functie die hij tot 1972 heeft bekleed.

De Wertheims komen uit dit boek niet naar voren als sterke zelfstandige of politiek zwaar verankerde denkers. Hun wereld veranderde pas met zijn baan aan de universiteit en de uitwisseling met mensen buiten zijn vaste kader. Wertheim zoog hun ideeën op, zonder de indruk te wekken er ooit iets tegenover gezet te hebben. Mensen met een "politieke scholing' hadden grote invloed op hem, maar je vraagt je af of Jacques de Kadt, in een gesprek met Wertheim tijdens de oorlog over de mogelijkheid van Indonesiërs direct na de oorlog een staat te besturen, serieus was met zijn uitspraak: ""Och, misschien zullen ze het niet zo goed doen, maar wat zou dat? In Zuid-Amerika zijn er heel wat republieken waar de zaken niet al te best gaan - maar het zijn toch onafhankelijke staten!'' Wertheim was in ieder geval onder de indruk van dit argument. En gezien zijn later uitgedragen denkbeelden over de Derde Wereld is dat niet verrassend.