Werkgevers betwisten onderzoek minimumloon

DEN HAAG, 7 DEC. Leidt een lager minimumloon wel of niet tot meer werk? Deze controverse laait opnieuw op, maar dit keer niet op basis van modelmatige fictie. Tussen 1983 en 1988 bleef het minimumloon 7 procent achter bij het gemiddelde loonpeil. Vorige week concludeerden twee onderzoekers van het Economisch Instituut voor het Midden- en kleinbedrijf (EIM) dat die verlaging nauwelijks extra banen schiep. Onzin, stelt het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) nu in een felle reactie.

De EIM-onderzoekers L.H.M. Bosch en W.H.M. van der Hoeven concludeerden in het vakblad voor economen ESB dat de werkgelegenheidsgroei in de laagste uurloonklasse (tot 13 gulden) tussen 1985 en 1988 niet groter was dan in andere uurloonklassen. Het EIM-onderzoek werd verricht in opdracht van het minister De Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Het VNO bestrijdt de conclusies van het EIM het huisblad "Onderneming' van volgende week dinsdag, en wel op basis van de cijfers van het EIM zelf. Want tussen 1985 en 1988 zijn er voor volwassenen 69.000 banen op en net boven het wettelijk minimumniveau (uurloon tot 13 gulden) bijgekomen. Daarmee, concludeert het VNO, was de groei in die categorie driemaal groter dan de gemiddelde groei van de werkgelegenheid over alle inkomensgroepen in die jaren. Kortom, de verlaging van het minimumloon zette wèl zoden aan de dijk.

Volgens de EIM-onderzoekers kijkt het VNO selectief naar de volwassenen en zwijgt zij over de jongeren (tot 23 jaar). Bij de jongeren nam het aantal banen tussen 1985 en 1988 in de laagste loonklasse met 23.000 toe. Dat is 60 procent van de totale banengroei voor jongeren, wat minder is dan op grond van het werkgelegenheidsaandeel van de laagste uurloonklasse (79 procent) mocht worden verwacht. Het aantal laag betaalde banen voor jongeren is volgens Bosch en Van der Hoeven significant afgenomen.

Zij berekenen dat voor jongeren en volwassenen samen het werkgelegenheidsaandeel in de laagste uurloonklasse (tot 13 gulden) weliswaar iets steeg (van 19,7 tot 21,1 procent), maar dat het aandeel van de tweede uurloonklasse (13 tot 16 gulden) iets terugliep (van 19,1 naar 18,8 procent). Van een echte groei van de laagbetaalde banen was, kortom, geen sprake. Dit temeer omdat de helft van de banengroei in de laagste uurloonklasse bestaat uit banen voor minder dan 15 uur per week.

Volgens de EIM-onderzoekers spelen wervingsproblemen de laatste jaren een grote rol. Het blijkt steeds moeilijker werknemers te vinden met de noodzakelijke sociale vaardigheden en schoolbaarheid. Een forse verlaging van het minimumloon zou volgens Bosch en Van der Hoeven zelfs averechts werken. Volgens het VNO heeft de verlaging van het minimumloon in de jaren tachtig banen gered die anders verloren waren gegaan.