Wederopstanding

Is er nog hoop voor de trillia? Toen ik een week of twee geleden mijn bollen plantte deed ik een verbluffende ontdekking: op een plek waar, op mijn mentale tuinplattegrond, vijf kleine grafsteentjes de begraafplaats markeerden van vijf overleden bollen van Arum italicum, waren kleine groene sprietjes verschenen.

Geen knekelveld dus, meer een soort herstellingsoord, of een slaapkuur-paviljoen. Mijn eerste impuls was op jubeltoon te roepen: ""Kijk, ze zijn toch nog opgekomen!'' maar aangezien ik alleen in de tuin was deed ik dat niet; je voelt je wat mallotig om in je eentje te gaan zitten juichen bij een stuk barre grond waar vijf minuscule sprietjes uit steken. Het huis binnenstormen met de gelukkige tijding was ook al geen succes: mensen die nauwelijks van het bestaan van die bollen afwisten, zijn niet zo ontvankelijk voor zo'n wonderbaarlijke ontkieming; ik voelde me als de soldaat uit Marathon die bij aankomst in Athene alleen maar verveelde gezichten ziet: ""Wisten we al. Ze hebben opgebeld.''

Deze Italiaanse aronskelken had ik bijna een jaar geleden geplant, in januari om precies te zijn; ik kocht ze op de markt aan een stalletje en de verkoper verzekerde mij dat ze vast en zeker gauw zouden opkomen. Wetend dat ze verondersteld worden in het voorjaar te bloeien vond ik dat toen heel aannemelijk, maar ik realiseerde me niet dat de bladeren er al in het najaar aankomen. Had ik dat geweten dan zou ik over hun levenskansen wel pessimistischer zijn geweest, maar dan had ik ze ook niet gekocht. Enfin, er gebeurde helemaal niets en ik was er aan gewend geraakt vijf kadavers in ontbinding te zien wanneer ik me dat stukje grond in doorsnede voorstelde.

Wat in werkelijkheid moet zijn gebeurd is dat ze, merkend dat ze zich in een marktkraam bevonden op het moment dat ze in actie moesten komen, besloten hadden om maar gewoon een jaar over te slaan; zoiets hoop je wanneer bollen niet opkomen, maar het is de eerste keer dat ik het echt meemaak.

Het is goed beschouwd het omgekeerde van wat er op 't ogenblik gebeurt met Wandelstokker, onze tamme slak die op dit moment haar winterslaap zou moeten houden. Ze ziet er bepaald al wat slaapdronken uit en is al een paar keer uit haar glazen gevangenis ontsnapt om haar heil te zoeken in een la; ze wordt kennelijk uit haar slaap gehouden door de warmte in de keuken en het donderen van de Magimix. (Intussen mogen we nog van geluk spreken: iemand schreef mij dat zij ook een paar slakken van een wisse dood had gered en wat later constateerde dat opeens de levens van wel zestig baby-slakjes aan haar hoede waren toevertrouwd. "Een idioot verhaal', schreef zij, en dat is het, want wat moet ze ermee doen? De creatiefste oplossing die ik kan bedenken is ze te verdelen over de tuinen van organische tuiniers, als ze die kent.)

Op de markt is je daalder een gulden waard en zelfbeklag is dus misplaatst in zo'n geval; maar toen mijn aronskelken wat vorderden bleken ze de gewone soort te zijn, niet de "Pictum' of marmoratum L met de gemarmerde bladeren die ik in de veronderstelling was te hebben gekocht. In tegenstelling tot de meeste bloembollen, waarvan de bladeren eindeloos blijven rondhangen nadat de bloemen zijn afgestorven, gulzig zonneschijn en goodness indrinkend voor het volgende jaar, wast de aronskelk dat varkentje eerst. De bladeren tooien de tuin gedurende de winter (koude wind en sneeuw indrinkend naar ik veronderstel) en zijn zeer in trek bij bloemenschikkers; dan, in de lente, komen de bloemen, later gevolgd door bessen.

Een andere bol die dat doet, zij het zonder enige esthetische rechtvaardiging, is het blauwe druifje. Misschien staan de onze te dicht bij het voetpad (ze waren er al toen we hier kwamen wonen); tegen de tijd dat de bloemen verschijnen, ziet het gebladerte er uit alsof het vertrapt is door een kudde buffels. Geen bloemenschikker die ze met een tang zou aanraken; daar staat tegenover dat het waarschijnlijk de manier van Moeder Natuur is om te zorgen dat ze niet over het hoofd worden gezien tijdens het bollenplantseizoen. Het zijn de enige bollen die niet het risico lopen dat er iets bovenop ze wordt geplant. En toch komt de verschijning van de bloemen als een opluchting, want dan zijn de dagen van die vertrapte bladeren tenminste voorbij.

Beide planten zijn inheems in Noord-Europa en beide schijnen buitengewoon tevreden in de meest onherbergzame soort noordelijke tuin: de droge en beschaduwde. Onze blauwe druiven staan op een van de minst gastvrije plekken die er zijn: in een groef van nauwelijks tien centimeter breed tussen twee bakstenen randen, die je normaal niet in staat zou achten iets levenskrachtigers te kunnen herbergen dan grind of plastic kunstgras; ze krijgen geen enkele speciale aandacht (behalve vertrapt worden: geen toeval dat het druifjes worden genoemd) en ieder jaar komen ze weer trouw op. Ook de aronskelk is, naar mijn eigen ervaring, zeer adaptabel.

Dan zijn er de bollen die het jaar beginnen met bloemen en hun bladeren pas later krijgen, zoals de Cyclamen hederifolium en de herfsttijloos. De laatste zou zich niets hebben aangetrokken van het landverhuizersklimaat op de marktstal; het is de zogenoemde droogbloeier, die welgemoed zijn bloemen voortbrengt op de vensterbank, zonder aarde of water van node te hebben. Er zijn twee manieren om zeker te zijn dat zij volgend jaar weer zullen bloeien; de ene is hem of haar na de bloei te planten, bladeren te laten ontwikkelen en daarna weer op te graven, en de andere, de Buitenlustmethode, hem nadat hij gebloeid heeft te vergeten, om wat er van over is daarna terug te vinden, weg te gooien en nieuwe te kopen.

En hoe zit het nu met de Trillium grandiflorum? Wel, dat weet ik nog niet; tot voor kort was ik er van overtuigd dat ze net zo dood waren als de aronskelken. Hoewel afkomstig van een betere fournisseur werden ook zij geplant op een ongunstig moment, vorig jaar maart was dat, en de opgewekte levenshouding was vermoedelijk te verwachten dat ze zouden bloeien in april. Trillia hebben de reputatie lastig te zijn (Margery Fish zegt: ""Het duurt even voor ze zijn ingeburgerd''); ze zijn ook nogal duur: turend naar de plek waar ze begraven liggen, zie ik geen drie dode bollen maar drie vochtige tien-guldenbiljetten. Maar misschien zijn ook zij op dit ogenblik bezig tot leven te komen, ten langen leste beslist hebbend dat hun omgeving hun tenslotte toch wel bevalt. Kliban zei het van katten, maar het geldt niet minder voor bloembollen: Mysterious little creatures, aren't they?

At dinner-time it is discovered that Mr Uss is missing. U. Forbyer - close-up on the bulging pockets of his midnight blue tuxedo - organises a search party. Uss is found drowned in the huge urn which had contained Lady Flora's last flower arrangement. Everyone assembles in the conservatory.

“I have asked you all here tonight for a purpose,” Maths starts. Suddenly the garden door flies open and an imposing figure enters. “Bowels of the Yard!” gasps Vinca Major. “It was a long, cold journey, and how I hated it!” says Detective-Inspector Bowels grimly.