Voorzichtig: in Maastricht begint Europa

BRUSSEL, 7 DEC. Maandag en dinsdag moet in Maastricht Europa worden opgericht.

De landen van het oude continent doen dan een eerste stap op weg naar een gezamenlijke politieke identiteit. Naast de Verenigde Staten en Japan zet een nieuwe, voorlopig vooral economische supermacht een voorzichtige stap op het internationale toneel, die "Europese Unie' moet heten.

Voorlopig nog zonder president, paleis of leger. Maar wel met voor het eerst in de geschiedenis de politieke wil om samen de wereld tegemoet te treden. Als basis dienen de “Europese gemeenschappen”, een vergevorderd economisch samenwerkingsverband, gebaseerd op het eigenbelang van een twaalftal hoog ontwikkelde landen.

“Alle landen richten hun ogen op ons. Het hoofddoel is het geven van politieke persoonlijkheid aan Europa”, aldus commissievoorzitter Jacques Delors. Europa doet nu verwoede pogingen om die politieke geloofwaardigheid aanstaande maandag en dinsdag te verwerven in Maastricht. Maar zal dat lukken?

Het streven om tegen het jaar 2.000 tot economisch-monetaire eenheid te komen met één munt en één bank lijkt weinig problemen meer op te leveren. Voor de Nederlandse minister van financiën Wim Kok resten in Maastricht nog drie problemen. In welk land moet straks de Europese Monetaire Instelling komen, de voorloper van de Europese Centrale Bank. Hoe moet het de armere lidstaten worden mogelijk gemaakt om zo snel mogelijk aan de economische en monetaire unie mee te doen. En als laatste: hoe kan voorkomen worden dat de Britten in 1997 alsnog besluiten de Unie de rug toe te keren.

Het plan voor een Politieke Unie ligt heel wat moeilijker. Minister Van den Broek heeft nog een waslijst problemen die varieert van de vraag of Europa een eigen leger moet krijgen tot het prangende probleem van de bescherming van dieren. Tot op het laatst is er ingespannen onderhandeld, waarbij steeds gold: “Er is niets besloten totdat over alles is besloten.”

Tot het laatste moment hebben de lidstaten hun kaarten tegen de borst gehouden. Pas maandag en dinsdag zal duidelijk worden tot welke concessies ze bereid zijn in ruil voor welke concessies van anderen. Niet uitgesloten is dat de top nog tot woensdag uitloopt. Wat zullen de Britten bijvoorbeeld inleveren als het vermaledijde "f-woord' uit de aanhef van het verdrag verdwijnt? Zullen ze dan toch moeten accepteren dat de Europese Unie zich ook met arbeidsvraagstukken en sociale verhoudingen mag bezighouden?

Van Spanje mag bijvoorbeeld fors verzet worden verwacht als de lidstaten niet instemmen met een andere contributie-verdeling voor de "eigen middelen' van de EG. Tot dusver zijn die gebaseerd op de BTW-inkomsten. Spanje (met een hoge consumptie en een laag BNP) vindt echter dat het Bruto Nationaal Produkt de maatstaf moet zijn.

Spanje heeft ronduit aangekondigd van dit zogeheten "cohesie'-vraagstuk een halszaak te maken. Het vindt dat de armere landen proportioneel te veel bijdragen aan de EG-inkomsten en wil dat nu expliciet in het verdrag vermeld zien. De noordelijke lidstaten willen niet verder gaan dan een politieke belofte die aan het verdrag wordt toegevoegd. Ook zijn er financiële concessies van de lidstaten te verwachten bij de structuurfondsen, bestemd voor armere regio's.

Een fenomenaal probleem ligt er op het terrein van de gezamenlijke defensie. Moet de Europese Unie, die zowel NAVO-landen als niet-NAVO landen verenigt, het laten bij een “gezamenlijk defensiebeleid” of moet ze streven naar een echte Europese defensie. De Fransen willen het laatste. “In 1952 is het niet gelukt met de Europese Defensie Gemeenschap. Dit is het beste moment om het weer te proberen”, zo vat een EG-diplomaat de Franse positie samen. De meer Atlantisch ingestelde EG-leden, zoals Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, vinden dat alles wat de VS tegen de haren in kan strijken moet worden vermeden, onder het motto : wat naar Yankee go home riekt, willen we niet.

Vast lijkt te staan dat die Europese defensie in ieder geval door de West Europese Unie zal worden bestierd. Of het nu om het samen vaststellen van een defensiebeleid gaat, of het samen uitrusten van een legerkorps. Voor de NAVO-lidstaten van de nieuwe Europese Unie geldt dat zij er scherp op zullen toezien dat binnen de WEU niets gebeurt dat niet spoort met de plannen van de NAVO.

Vooral de Britten dringen erop aan dat de WEU zelfstandig blijft. “Zoals de tekst er nu ligt weerspiegelt die onze visie, zoals we die samen met de Italianen naar voren hebben gebracht”, zo zei de Britse minister Hurd dinsdag. Aan de andere kant staan de Fransen die meer afstand tot de NAVO willen nemen. Samen met de Duitsers hebben zij een West Europese Unie voorgesteld die fungeert als uitvoeringsorgaan van de Europese Raad. Daarmee zou de Europese defensie veel meer een zaak van de Europese landen zelf worden.

In het verlengde van het veiligheidsbeleid ligt het plan om samen een buitenlands beleid te voeren. Het verdrag stelt voor om de lidstaten bij unanimiteit de algemene doelstellingen van de buitenlandse politiek te laten vaststellen. Over uitvoering ervan zouden de landen bij gekwalificeerde meerderheid moeten beslissen. Verscheidene lidstaten voorspellen dat in de praktijk dat onderscheid niet te maken zal zijn.

De Britten zijn bovenal bevreesd dat het de armslag om een eigen beleid te voeren te veel zal beperken. Op de achtergrond speelt daar de Falklandoorlog een rol - de gedachte dat het sturen van een expeditievloot voortaan verhinderd kan worden door een minderheid in de Europese ministerraad vervult de Britten met afgrijzen. Ook Delors ziet niets in deze paragraaf. Hij noemde die donderdag “onwerkbaar”, maar dan vooral wegens de unanimiteitsclausule die iedere besluitvorming zou verlammen. “Dàt is toch geen gemeenschappelijk buitenlands beleid”, riep hij schamper uit.

De Britten zullen naar verwachting tot de tanden toe gewapend proberen om het sociale beleid buiten de Europese Unie te houden. Geen bemoeienis van de collega's op het continent met Britse arbeidstijden, stakingsrecht of loonvorming. Als de minimumeisen die de Commissie voor de hele EG wil vaststellen, ook voor Engeland zouden gelden, dan kost dat het Britse bedrijfsleven 5 miljard pond, zo hadden de Britten uitgerekend. Er zouden duizenden extra werklozen door ontstaan. “Is dat nu sociaal?” had minister Michael Howard van sociale zaken zijn collega's voorgehouden.

Ook Spanje, Portugal, Griekenland en Ierland verwachten alleen maar financiële ellende voor de staat en het bedrijfsleven van de als "Noordeuropees' beschouwde sociale normen. Felle voorstanders van een "sociaal Europa' zijn België, de Bondsrepubliek, Denemarken en Nederland. Deze landen vinden dat een interne markt met vrij verkeer van kapitaal, goederen en mensen niet zomaar opengesteld mag worden zonder een minimale bescherming van de werknmer. De Commissie is vooral bang dat er oneerlijke concurrentie tussen lidstaten kan ontstaan als er geen minimum-regels voor de sociale verhoudingen vastliggen.

Een Brits-Franse tegenstelling dreigt bij het industriebeleid. Het verdrag biedt expliciet de mogelijkheid voor de Commissie om “toekomstgerichte industrieën” op specifieke steunmaatregelen te trakteren. De Britten, daarin gesteund door de Duitsers, vinden dat daarmee de poorten voor protectionisme op nationale schaal wijd worden geopend. De Duitsers willen alleen die steun toestaan die geen geld kost. Vrijblijvende bepalingen over het scheppen van een "gunstig klimaat' kunnen door de beugel, "Specifieke maatregelen' niet.

Over de nieuwe terreinen waarop het Europees parlement een veto-recht krijgt is evenmin overeenstemming. Het verdrag stelt voor om het parlement bij regelgeving over het vrije verkeer van werknemers, vrije vestiging, interne markt, milieu, onderzoek, infrastructuur, consumentenbescherming, volksgezondheid en cultuur het recht van veto te geven. De Britten willen het bij interne marktregelgeving laten. Andere landen, met Duitsland voorop, willen het parlement zoveel mogelijk invloed geven. Toch wordt op dit punt een akkoord verwacht. Voor geen van de lidstaten is het parlement een breuk waard. De Britten vinden het niet eens een vraagstuk voor Maastricht.

Premier Major herinnerde er deze week aan dat de ogenschijnlijk lange lijst met geschilpunten voor Maastricht in het niet valt bij de agenda die de Europese top in 1985 in Luxemburg moest afwerken. Om de baanbrekende Europese Akte te kunnen sluiten, ruimden de regeringsleiders toen zo'n 29 geschillen op. Nu zijn het er niet meer dan tien.

Ondanks, of misschien wel dank zij hun halsstarrige houding worden de Britten algemeen gerespecteerd. “Een lesje in democratie”, noemde Delors het debat in het Lagerhuis van vorige week. Daar kreeg Major precies uitgemeten hoever hij in Maastricht mag gaan. De andere lidstaten zien het Verenigd Koninkrijk bovendien als een essentiële partner voor het welslagen van de Unie. “Geen vrede in het Midden-Oosten zonder Palestijnen, geen Unie zonder Britten”, zei een Nederlandse diplomaat.

Staatssecretaris Dankert maande deze week tot bescheidenheid: “Maastricht kan slagen, maar het verdrag zal beneden het ambitieniveau blijven dat de meeste lidstaten hebben”. Opgeruimd constateren ambtenaren en politici dat dat niet erg is. In 1996 is een grootscheepse revisie voorzien. Wat nu niet lukt of straks niet blijkt te werken, kan dan in nieuwe formules worden gegoten.