VAN PENOSE TOT MODERNE MAFIA

Organized Crime and its Containment. A Transatlantic Initiative door Cyrille Fijnaut en James Jacobs (red.) 205 blz., Kluwer Law and Taxation Publishers 1991, f 100,- ISBN 90 6544 571 4

Aan de vooravond van het jongste begrotingsdebat over justitie in de Tweede Kamer deed de Algemeen Deken van de Nederlandse orde van advocaten een dringend beroep op het kabinet de beleidsplanning bij te stellen. Bij alle aandacht voor de misdaadbestrijding is er volgens de organisatie dringend behoefte aan een Beleidsplan rechtsbescherming en rechtshulp.

Maar dat was niet de prioriteit van de regeringsfracties. Tijdens het debat vroegen zij om nog weer een afzonderlijk Beleidsplan "samenleving en georganiseerde criminaliteit'. Met zorg signaleerden zij ""een zich verdiepende ingroei van georganiseerde criminaliteit in de samenleving'.

Hoe weten die Kamerleden dat eigenlijk zo goed? Het antwoord lijkt eenvoudig: de Centrale recherche-informatiedienst (CRI) heeft nog niet zo lang geleden met behulp van de modernste technieken voor misdaadanalyse niet minder dan 600 criminele groepen geïdentificeerd. Een paar jaar geleden waren het er nog slechts 200.

Toch blijft de vraag wat dit nu precies betekent. Een insider als de Rotterdamse korpschef Hessing is kennelijk niet erg onder de indruk. Tegen Het Parool verklaarde hij medio november: ""Ik vind dat dat geen georganiseerde misdaad is. Wel zware en ernstige criminaliteit, maar geen echte georganiseerde misdaad. In New York hebben ze vijftien families, in een stad van tien miljoen mensen. En wij zouden in Nederland nu al 600 organisaties hebben? Ik vraag me af wat het doel van die analyse is en hoe hard die is.'

Dat laatste zou wel eens de hamvraag kunnen zijn in het debat. De aanduiding "georganiseerde criminaliteit' is strafrechtelijk volstrekt ongrijpbaar. Daarom is zij vooral een codewoord geworden om te duiden waar men staat in de strijd om mankracht, geld en middelen.

In Nederland is er een directe aanleiding. De politie wordt ingrijpend gereorganiseerd. Er komen 25 regionale korpsen met daarnaast (of daarboven?) een korps landelijke diensten, waaronder de CRI. Is er behoefte aan een Nederlandse FBI? Prioriteit voor de georganiseerde misdaad maakt een bevestigend antwoord op deze vraag een stuk gemakkelijker.

J. EDGAR HOOVER

De ironie wil overigens dat de echte FBI onder leiding van de fameuze J. Edgar Hoover lang heeft getreuzeld om de georganiseerde misdaad aan te pakken. Nog medio jaren vijftig stelde Hoover een speciale werkgroep in ""om vast te stellen en te documenteren dat georganiseerde misdaad niet bestaat'. Waarschijnlijk was de FBI-chef bang dat aandacht voor de mafia ten koste zou gaan van zijn topprioriteit: de strijd tegen communisme en binnenlandse subversie.

Inmiddels heeft de FBI de schade duchtig ingehaald; in de jaren tachtig werd zelfs gesproken over het einde van de traditionele (Italo-Amerikaanse) mafia. Dat lijkt overigens voorbarig, zo werd opgemerkt op een unieke Nederlands-Amerikaanse conferentie die vorig jaar deze tijd werd gehouden en waarvan de bijdragen nu in boekvorm zijn verschenen onder de titel Organized Crime and its Containment.

De formule van deze bijeenkomst was van een aantrekkelijke eenvoud: Amerika kent de georganiseerde misdaad al sinds jaar en dag, wij in Nederland kijken er nog wat onwennig tegen aan, wie weet kunnen wij wat leren. Er valt vooral voorzichtigheid te leren, zo blijkt uit dit boek, want georganiseerde criminaliteit hangt sterk samen met de sociale omgeving. En die verschilt nogal, zoals prof. C. Fijnaut waarschuwt in een inleidende beschouwing: ""De Amerikaanse samenleving is zeer kapitalistisch op het economische vlak, zeer democratisch op het politieke vlak en zeer verdeeld op het morele vlak: een rijke voedingsbodem voor georganiseerde misdaad'. Daarbij komen factoren als massale immigratie; de mafia "familie' sluit aan bij de traditionele levensstijl en lokt als een eerste stap op de sociale ladder in het nieuwe land.

In Europa bestaat evenwel veel meer dan in de VS de traditie om sociale problemen te "kanaliseren', terwijl de overheid hier bovendien minder vatbaar is voor corruptie omdat ze meer afstand heeft tot partijpolitiek. Maar immigratie is sinds de jaren zestig ook een kenmerk van de Oude Wereld geworden en er zijn ook andere tekenen dat we hier niet al te gerust moeten zijn. Zo behoort een milieu-mafia in onze vriendelijke doch vervuilde delta bepaald niet tot het rijk van de verbeelding.

KLASSIEKE PENOSE

In de bundel schetst commissaris Burg van Baarle, hoofd van een crimineel inlichtingenteam, op krap twee bladzijden tekst bekwaam het beeld van zijn klantenkring, de klassieke penose. Het wereldje van de opzichtige glitter, maar tegenwoordig ook van bodyguards en kogelvrije vesten. Fax en mobiele telefoons zijn routine; de belangrijke contacten vinden echter nog steeds van persoon tot persoon plaats. Een legertje juristen, notarissen en makelaars staat gereed hun goedbetaalde diensten te verlenen.

Moet in Nederland nu de alarmklok worden geluid? De (Amerikaanse) theorie hanteert vijf criteria voor georganiseerde misdaad: interne hiërarchie en arbeidsverdeling, een verscheidenheid aan criminele activiteiten, omkoping van (politie)ambtenaren, witwassen van geld. In 1988 waren er volgens de CRI slechts drie groepen in Nederland die aan alle vijf kenmerken voldeden. Over die kenmerken bestaat overigens onder de vakmensen geen eensgezindheid. Zo hanteren slechts weinig Amerikaanse deskundigen het criterium van een "planmatige werkwijze' waaraan het Nederlandse ministerie van justitie van oudsher nogal wat belang hecht. Het criterium van de "hiërarchische structuur' stond in de VS onbetwist aan top, maar zelfs dat is minder duidelijk dan het lijkt. Is van zo'n structuur pas sprake indien binnen een misdaadorganisatie een intern sanctiesysteem aanwezig is of kan het ook alleen gaan om afscherming van de criminele top?

Een reden om je druk te blijven maken over dergelijke nuanceverschillen is dat de diagnose "georganiseerde criminaliteit' niet vrijblijvend is. Hij luidt nieuwe verregaande bevoegdheden voor de overheid in, zo is in de VS wel gebleken. De Newyorkse contribuanten aan deze bundel onderstrepen nog eens speciaal het belang van elektronische surveillance en criminele inlichtingendiensten - beide gevaarlijke instrumenten in een rechtsstaat. De ervaring leert dat de belangstelling bovendien niet beperkt blijft tot de onderlinge verhoudingen binnen de mafia of de cosa nostra maar bijvoorbeeld ook het legitieme bedrijfsleven betreft. Want: men moet een bedreigde bedrijfstak van binnenuit kennen om hem te kunnen beschermen tegen infiltratie door de georganiseerde misdaad, betoogde de officier van justitie Robert Mass tijdens de conferentie. Zo'n oeverloze benadering houdt direct verband met een onbestemde definitie van het kwaad. Naar aanleiding van de conferentie van vorig jaar pleitte overigens ook het hoofd van de CRI openlijk voor een sterkere vervlechting van politie en justitie met het maatschappelijk leven.

Te wijzen op de gevaren daarvan is geen pleidooi voor stilzitten. De overheid zou bijvoorbeeld eens naar zichzelf kunnen kijken. Volgens een onderzoek van het ministerie van justitie naar "misdaadondernemingen' krijgt de onderwereld onnodig veel kansen door slordig vergunningenbeleid en laks toezicht. Dat kan het begin zijn van een normatief vacuüm. En juist dat geeft de mafia zijn grootste kans, waarschuwt de Newyorkse politicoloog Frank Anechiarico in deze bundel.

""De onderwereld reflecteert altijd de bovenwereld', filosofeert Nico van Helten (thans tweede man van de BVD) in Organized Crime and Its Containment. Het eind is pas goed zoek wanneer de onderwereld doordringt tot de bovenwereld.