Restauratie leidt tot rubberbal-effect

AMSTERDAM, 7 DEC. Het doek "Who's afraid of red, yellow and blue III' van Barnett Newman is door Daniel Goldreyer op een niet-authentieke en onherstelbare manier gerestaureerd. Dat is de conclusie die resteert na de analyse van monsters van het schilderij door prof.dr. E.R. Groeneveld en ir. R. Breek van het Gerechtelijk Laboratorium in Rijswijk.

Belangrijkste opdracht van Groeneveld en Breek was om de aard, de samenstelling en, indien mogelijk, de ouderdom vast te stellen van de verschillende verf- en vernislagen op diverse plaatsen op het rode gedeelte van het schilderij. Ze deden dit door monsters te nemen en deze te analyseren met een combinatie van Fourier-transform infrarood spectrometrie, pyrolysegaschromatografie en micro-röntgenfluorescentie.

Goldreyer heeft tegenover directeur Beeren steeds volgehouden dat hij zijn restauratie van de verf- en de vernislagen heeft uitgevoerd met dezelfde drager als die door Newman zou zijn gebruikt: butylmethacrylaat. Het blijkt echter dat noch Newman, noch Goldreyer deze drager hebben toegepast.

Al kort na de vernieling eind 1986 is door het Centraal Laboratorium (voor Onderzoek van Voorwerpen van Kunst en Wetenschap) vastgesteld dat Newmans rood geheel bestond uit pure olieverf. Dit wordt bevestigd door de analyse van Groeneveld en Breek, die in monsters van de - naar nu blijkt inderdaad geheel overgeschilderde - rode onderlaag alleen karakteristieken van lijnolieverf aantroffen.

De door Goldreyer aangebrachte verf- en vernislagen blijken te bestaan uit alkydverf. Alkyden zijn brokkelige synthetische dragers die snel en praktisch onomkeerbaar uitharden, waardoor ze slecht oplosbaar zijn in gewone organische oplosmiddelen en praktisch alleen met agressieve afbijtmiddelen te verwijderen zijn. Ze zijn uitmuntend geschikt voor toepassing op ramen, deuren en kozijnen, maar volstrekt uit den boze bij restauraties die naar de tegenwoordige consensus altijd zo veel mogelijk reversibel dienen te zijn.

Overigens is ook het butylmethacrylaat dat Goldreyer beweert te hebben gebruikt, om deze reden niet aanbevelenswaard bij restauraties. Deze synthetische polymeer is weliswaar beter oplosbaar in organische oplosmiddelen dan alkyden, maar verhardt na verloop van tijd door cross-linking onder invloed van ultraviolet licht. Voor acrylaatrestauraties komt eigenlijk alleen methylmethacrylaat in aanmerking, dat niet cross-linkt en daardoor oplos- en verwijderbaar blijft.

De harde alkydlaag van Goldreyer op de flexibele, nog lang niet volledig uitgeharde onderlaag van olieverf kan op de langere termijn desastreuze craquelures ten gevolge hebben, bekend als het "rubberbal-effect'. Normaal gesproken hoort niet de bovenlaag, maar de ondergrond het hardst te zijn.

Dat Goldreyer inderdaad het hele rode gedeelte van het doek (met alkydverf) heeft overgeschilderd suggereert niet alleen de alomtegenwoordigheid van de - door Newman nooit gebruikte - alkydverf in de huidige rode bovenlaag, maar wordt ook direct aangetoond door microscopische inspectie van de grenzen van het rode vlak met de gele en blauwe repen aan de zijkanten. De craquelures die in de loop der jaren in deze repen zijn onstaan, stoppen abrupt waar het rood begint. Groeneveld en Breek troffen bovendien in enkele van de craquelures rode verfspatten aan, die alleen maar op het schilderij kunnen zijn gekomen nadat de craquelures zijn ontstaan en dus onmogelijk van Newman zelf afkomstig kunnen zijn.

Analyse van enkele van de merkwaardige "pukkels' die sinds de restauratie in groten getale op het doek prijken, wees uit dat deze onder de rode verflaag nog een transparante vernislaag bevatten. Enkele pukkels bevatten raadselachtige stukjes nylonvezel, die mogelijk afkomstig zouden kunnen zijn van een kwast of verfroller.