Na de belegering: een militair arts aan het werk; Turijn, 1536 Ambroise Paré

We drongen in een menigte de stad binnen en liepen over de dode lichamen, en sommigen, die nog niet dood waren, hoorden we schreeuwen onder onze paardenhoeven - en hen zo te horen maakte mijn hart medelijdend.

Eenmaal in de stad ging ik een stal binnen om de paarden van mij en mijn knecht onderdak te brengen. Ik trof er vier dode soldaten, en drie soldaten die tegen de muur leunden, hun gezichten helemaal verminkt, en geen van drieën zag, noch hoorde, noch sprak, en hun kleren brandden nog van het kruit, dat hun had gebrand. Toevallig kwam er een oude soldaat langs die hen met medelijden bekeek en vroeg of er nog een mogelijkheid bestond om hen te genezen. Ik zei tegen hem dat dat niet het geval was. Hij liep dadelijk op hen af en sneed hen, zonder woede, rustig de keel af. Ik zei tegen hem, toen ik deze enorme wreedheid zag, dat hij een slecht mens was. Hij antwoordde mij dat hij God bad dat, als hij zelf ooit in een soortgelijke situatie terecht zou komen, hij ook iemand zou treffen die hetzelfde zou doen met hem, zodat hij niet op een ellendige manier zou kreperen.

Ondertussen werd de vijand gezegd zich over te geven, wat sommigen deden, en ze gingen naar buiten met een witte staf in hun handen - wat de enige manier was om hun leven te sparen. Maar het grootste deel ging echter naar het kasteel van Villane, waar ongeveer tweehonderd Spanjaarden waren. Onze aanvoerder, monsieur de Constable, wilde ze niet laten zitten omdat anders de weg niet vrij zou zijn. Ze werden gemaand zich over te geven, anders zouden ze in stukken worden gehakt - wat ze keihard weigerden, zeggend dat ze net zulke goede en trouwe dienaren van de keizer waren als monsieur de Constable was van zijn heer, de koning.

Nadat we hun antwoord gehoord hadden stelden we twee grote kanonnen op, die 's nachts met touwen en koorden door de Zwitsers en de Duitse Landsknechten naar boven moesten worden gezeuld. Maar toen die kanonnen eindelijk stonden - pech als we hadden - sloeg, door de enorme onachtzaamheid van de kanonnier het vuur in een grote zak kruit, waardoor hij samen met tien of twaalf andere soldaten verbrandde.

De volgende ochtend werd vroeg in de morgen een batterij in stelling gebracht die binnen een paar uur een bres in de kasteelmuur schoot, en nadat die gemaakt was vroegen ze om onderhandelingen met ons, maar het was nu te laat voor hen. Want in de tussentijd was onze Franse infanterie, die zag hoe perplex ze daar stonden, naar de bres geklommen en zo werden ze in de pan gehakt, afgezien van een jonge, blonde, lustige meid uit Piedmont die een van de heren wilde houden om hem tot gezelschap te dienen in de nacht, uit angst voor de gretige wolf. De kapitein en de vaandeldrager werden levend gevangen genomen, maar al spoedig werden ze opgehangen bij de poort van de stad, om een voorbeeld te geven, en ook om de keizerlijke soldaten in te peperen om voortaan niet zo dwaas en overijld te handelen door zulke plaatsen bezet te houden tegenover zo'n groot leger. Nu probeerden alle soldaten van het kasteel, in het zicht van de aanstormende, gewelddadige razernij van de onzen, zich te verdedigen: ze doodden en verwondden een groot aantal van onze soldaten met pieken, musketten en stenen, waarmee ze ons, chirurgijnen, een flinke partij werk bezorgden.

Bron: Thomas Johnson, The Apology and Treatise, vertaald uit het Latijn en vergeleken met het Frans, 1634, geciteerd bij: The Portable Renaissance Reader, James Ross en Mary McLaughin, Viking New York 1953