Meeste aio's zijn vooral ontevreden over begeleiding

ROTTERDAM, 7 DEC. De concentratie van de verschillende opleidingen tot wetenschappelijk onderzoeker in zogenoemde onderzoekscholen, zoals minister Ritzen (onderwijs) wil, zal niet leiden tot betere proefschriften of onderzoekers.

Dat meent een ruime meerderheid van de wetenschappelijke staf die aan de universiteiten optreedt als promotor of begeleider van de assistenten- en onderzoekers-in-opleiding (AIO's en OIO's).

Wel verwacht een meerderheid dat onderzoekscholen het gemakkelijker zullen maken de aankomende onderzoekers adequaat onderwijs aan te bieden. Dit blijkt uit een evaluatie-onderzoek naar de werking van het AIO-stelsel dat het Instituut voor onderwijskundige dienstverlening (IOWO) uit Nijmegen in opdracht van minister Ritzen heeft uitgevoerd.

Het onderwijs dat de aankomende onderzoekers krijgen speelt overigens maar een geringe rol in hun opleiding. In totaal besteedt de AIO in de vier jaar van zijn opleiding gemiddeld tussen de 400 en 500 uur aan het volgen van datonderwijs. Zo'n 250 uur daarvan worden in het eerste jaar opgebruikt. In de bèta-wetenschappen volgen de AIO's minder cursussen dan in de andere disciplines. Wel wordt er daar meer niet-cursorisch onderwijs gegeven. Gemiddeld wordt bijna tien procent van de werktijd besteed aan het volgen van onderwijs. Dat is aanzienlijk minder dan waarvan bij de introductie van het AIO-stelsel werd uitgegaan. Toen was er sprake van 45 procent onderwijs in het eerste jaar aflopend tot 15 procent in het vierde jaar.

De AIO is maar matig tevreden over het onderwijs dat hij geniet. Zo'n tachtig procent geeft aan meer te leren van het dagelijks doen van onderzoek dan van de cursussen. Eenzelfde percentage vindt het onderwijs weliswaar leerzaam en interessant, maar zo'n zestig tot zeventig procent vindt dat de cursussen niet aansluiten op het onderzoek en ook geen nieuw perspectief bieden.

De helft van de AIO's is tevreden tot zeer tevreden met de functie, twintig procent is uitgesproken ontevreden. Die ontevredenheid wordt gevoed door het gevoel aan de universiteit niet voor vol te worden aangezien, door het slecht functioneren van de vakgroep, door onvoldoende begeleiding en door het ontreken van het perspectief op een loopbaan als onderzoeker na de promotie. De onvrede is het grootst in de gamma- en medische wetenschappen. Het salaris, dat vaak als oorzaak voor de ontevredenheid wordt genoemd, speelt daar in werkelijkheid maar een bescheiden rol bij, zo blijkt uit het onderzoek dat gehouden is onder de AIO's die (nog) aan de universiteiten werkzaam zijn.

Zo'n tachtig procent van de AIO's wil na afronding van de opleiding doorgaan met wetenschappelijk onderzoek. Maar de kans daarop wordt in de afzonderlijke wetenschapsgebieden uiteenlopend ingeschat. Bij de bèta's verwacht ruim zeventig procent dat zij later inderdaad als onderzoeker aan universiteit of in bedrijfsleven zullen werken. Bij de alfa's is het maar de helft die vermoedt dat deze verwachting kan worden gerealiseerd. Interesse in het vakgebied en in het onderwerp van het promotie-onderzoek blijken met 92 en 78 procent de belangrijkste motieven te zijn geweest om AIO of OIO te worden.

Het IOWO noemt het een goede zaak dat de promovendus veel minder dan vroeger afhankelijk is geworden van één promotor. Zo'n tachtig procent wordt thans begeleid door twee of meer leden van de wetenschappelijke staf. Ook de ondervraagde promotores en begeleiders beoordelen die ontwikkeling positief. Over hun promotores zelf zijn de de aankomende onderzoekers overigens aanmerkelijk minder tevreden dan over de andere begeleiders. De promotores krijgen als gemiddeld cijfer een 6,5 toebedeeld (waarbij wordt aangetekend dat een kwart van de AIO's minder dan een zes heeft gegeven). Voor de andere begeleiders is de gemiddelde waardering 7,3.

De AIO's en OIO's dragen de wetenschappelijke ontwikkeling in hun vakgebied, zo erkennen de promotores en begeleiders. Dat blijkt onder meer ook uit hun produktie: op het moment dat ze promoveren heeft de beta-wetenschapper al gemiddeld 4,4 gepubliceerd of geaccepteerd artikel op zijn naam staan (in de andere wetenschapsgebieden is dat gemiddel 3,2 artikel). Als er ook de artikelen en rapporten bij worden geteld "die in voorbereiding zijn', dan sluit de AIO (OIO) in de beta-wetenschappen zijn opleiding af met bijna negen publikaties naast zijn dissertatie. In de andere disciplines schommelt dat aantal tussen de zes en zeven.