MAASTRICHT; De navel van de wereld

Maastricht kende altijd al een druk vreemdelingenverkeer. De stad was het reisdoel van pelgrims, vorsten en soldaten; een van de Drie Musketiers bracht er zelfs de laatste uren van zijn leven door. Nu komen er, voor de tweede maal in tien jaar, de Europese regeringsleiders bijeen. Portret van een kleine metropool aan de Maas: een besloten gemeenschap op zoek naar Europese allure.

Er is in Maastricht, iedereen ter plaatse stelt het vast, de laatste jaren veel veranderd. Maar veel bleef gelukkig ook hetzelfde. Na aankomst uit het noorden krijgt de bezoeker als vanouds een bijna lichtzinnig gevoel: in deze stad heeft hij Nederland achter zich gelaten, hier verkeert hij in het land zonder grenzen.

Het eetcafé in de Wolfstraat serveert unnesop en e stökske peel met Ardennersjink, bij de concurrentie schenkt men Wieckse Witte (een door koreander en sinaasappelschillen verrijkt bier), het zo geliefde Mestreechs Vollekstejater brengt een kemediestök mèt leedsjes en vlakbij Rodin Couture en Belle Epoque in de Stokstraat verkoopt een winkel rugversterkende zonnestenen.

Bij het toeristenpastoraat, even verder, richten affiches de aandacht op "artistieke werken van de kleine zusters van Bethlehem' en een "altijd durende aanbidding' die elders plaats vindt. Met hetzelfde oogmerk kan men in de onmiddellijke omgeving nog altijd zijn toevlucht zoeken in de kapel naast de Onze Lieve Vrouwebasiliek. In het schemerduister knielen gelovigen er neer voor de genadetroon van Maria, op grond van een oud verhaal aangeduid als Sterre der Zee. De menigvuldige wonderen die hier volgens teksten aan de wand op haar voorspraak zijn geschied, vervullen de aanwezigen met "de zoetste hoop' dat hun beden worden verhoord.

Ook een dakloos paar, dat aan de boorden van de Maas in twee tentjes huist, had eind november de hoop nog niet verloren. Nu 9 december de Europese regeringsleiders bijeenkomen in het tegenover het kampement gelegen provinciehuis, biedt de gemeente misschien wel woonruimte aan, oppert de vrouw. ""We zitten hier nu al een paar maanden'', zegt ze, een pijp opstekend terwijl zij zich warmt bij een vuurtje in een oliedrum. ""De kou is soms vreselijk en de regen slecht voor de botten, maar ik klaag niet. We hebben hier een prachtig uitzicht.''

Voorzien van een muts met de woorden Ohio Sporting Club, prijst de tentbewoonster op de doorweekte rivieroever Maastricht aan: wat haar betreft is het de mooiste stad van Nederland. Een opmerkelijk aantal mensen, ook buiten deze streek, is dezelfde mening toegedaan. Dit leidt tot een nog steeds wassende stroom toeristen, die bij de bevolking gemengde gevoelens wekt. ""Zodra de Hollanders hier zijn gearriveerd, gaan ze zingend en dansend de Servaasbrug over'', aldus Lou Heynens, een beeldend kunstenaar die ook als schrijver en royalist te boek staat. ""Dat geeft de stad een andere toonzetting, die mij soms een luchthartig gevoel verschaft. Maar dat verdwijnt als ze zich, roepend om bier, luid en provocerend door de stad bewegen. Als zij er zijn zul je op het Vrijthof geen Maastrichtenaren zien.'' Schrijver Ad van Iterson, sinds enkele jaren terug in zijn geboortestad, vindt de aanblik van de toeristenmassa soms stuitend: ""Al die mensen in hun pastelkleurige jogging-pakken passen niet bij de elegance die de stad hier en daar heeft. De lila gekapte dametjes die rustig taartjes willen eten, komen in het gedrang.''

Mr. Alphonsus Baeten, tot 1985 burgemeester van Maastricht, acht de toestroom uit binnen- en buitenland een gunstig maar door haar omvang ook "zorgwekkend' verschijnsel. ""De drukte is nu en dan zo gigantisch, dat je nauwelijks nog de stad in kunt'', constateert hij in de Parkresidentie, een wooncomplex dat uitkijkt over de rivier en de tenten van de twee daklozen. Vooral op de Belgendagen (feestdagen die in Nederland niet als zodanig gelden) is de toevloed volgens Baeten groter dan de capaciteit toelaat. ""De politie moet de automobilisten weleens terugsturen, want de stad is dan gewoon vol.''

De publiciteit rond de Europese top zal voor het toerisme nog een extra stimulans betekenen. Ondanks alle problemen vandien, is dit bevorderlijk voor de middenstand en de zich gestaag uitbreidende hotellerie. Maar dat zijn slechts bijzaken, de ambities van de stad reiken verder. Maastricht maakt van de conferentie gebruik zich te afficheren als een kruispunt van culturen, een kleine metropool in "een gouden zone voor investeringen'. Voor de aanprijzingen schiet het Nederlands soms tekort: brochures melden dat de stad is uitgegroeid tot een Europees centre d'excellence, befaamd om zijn bijzondere ambiance en een hoogwaardige quality of life. ""Maastricht has already become the pan-European city of tomorrow'', stelt in een ander boekwerkje Marc Daenen, directeur van het het Centre for European Studies, een van de 25 internationale instituten die zich hier vestigden.

Alle internationale belangstelling bevestigt de inwoners in het idee, dat hun stad een uitzonderlijke positie inneemt. Vele eeuwen lang, schrijft dr. P.J.H. Ubachs in zijn pas verschenen boek Tweeduizend jaar Maastricht, beschouwde de bevolking haar woonplaats als de navel van de wereld: ""Niets bestond daarbuiten dat hun stad kon overtreffen; het was een voorrecht daarbinnen te mogen leven.'' In die gedachte werd men gesterkt door de komst van vele pelgrims, die al in de middeleeuwen zorgden voor een druk vreemdelingenverkeer. De reizigers kwamen vooral af op de stoffelijke resten van Sint Servatius, Maastrichts eerste bisschop en (naar legenden willen) een verre bloedverwant van Jezus. Wie zijn graf had bezocht maar na overlijden niet onmiddellijk welkom was in de hemel, kon er volgens het Vaticaan op rekenen dat het verblijf in het vagevuur met veertig dagen werd bekort. Toch hadden de uit de Elzas, Bohemen en Bretagne afkomstige bezoekers evenzeer oog voor andere relieken, waaronder de arm van de apostel Thomas; naar verluidt trok de Zwarte Christus bij de Witte Vrouwen vooral de aandacht van Hongaren.

Ook voor hooggeplaatsten was Maastricht al vroeg een geliefd reisdoel. Keizer Karel de Grote ging er ter bedevaart, Karel V tekende staatsstukken in het Spaanse gouvernement aan het Vrijthof, zijn zoon Filips II werd in de Sint Servaaskerk ingehuldigd als Brabants landheer en in 1673 nam Lodewijk XIV de stad in na een beleg dat D'Artagnan, een van de Drie Musketiers, het leven kostte. Later kwamen zowel tsaar Peter de Grote als Napoleon (bij die gelegenheid in gezelschap van Josephine de Beauharnais) op bezoek om de vestingwerken te bekijken.

De invloeden van buiten zorgden niet voor nieuwe impulsen. Integendeel - zich koesterend in de vele aandacht was Maastricht, zoals Ubachs het noemt, lange tijd zichzelf genoeg. De historicus spreekt van een conservatieve stad, waar zeker tussen 1500 en 1800 het leven stil kwam te staan: de "wat slaperige samenleving' verheerlijkte het eigene en wees wat van elders kwam af.

Sporen van deze instelling zijn nog steeds aantoonbaar. Import-Maastrichtenaren constateren dat de stad een eigen vorm van apartheid kent: aan de ene kant staan de oorspronkelijke bewoners, aan de andere kant de overigen. De laatste categorie wordt gevormd door boeren en Holländer, te weten allen die afkomstig zijn van boven Sittard. In de twee kerken op het Vrijthof is de scheiding duidelijk waarneembaar, aldus Lou Heynens. ""De Sint Servaas is voor de Maastrichtenaren, om te beginnen burgemeester Houben en erachter het voetvolk; de protestantse Sint Jan is voor de import: professoren, rechters en advocaten die zich, ook al verblijven ze hier al generaties, nog altijd Hollanders voelen.''

Van vrije keus is hierbij niet altijd sprake. Iemand die in 1950 naar Maastricht kwam, zegt dat hij zich in bepaalde kringen zeker tien jaar lang een buitenstaander voelde. ""De mensen vormen hier kluiten waar je niet makkelijk tussen komt. Soms voel je je in hun wereld onderhorig, als het erop aankomt durf je geen grote mond te geven.''

Ook Jan Datema, eigenaar van een roemruchte boekhandel aan het Vrijthof, weet dat er tegen "nieuwkomers' wantrouwen bestaat. ""Op zichzelf vind ik het best dat ze je na vele jaren nog beschouwen als een gast, maar de gastheer moet zich dan wel hoffelijk gedragen. Helaas is dat niet altijd zo. Vaak had ik het gevoel dat men dacht: we doen het licht uit en we hopen dat je de weg vindt. Er is hier nog een groot aantal navelstaarders, mensen die vinden dat de klok van de Servaas op tijd moet luiden en elke verandering afwijzen. Daarbij zijn ze vaak te meegaand: niet iedereen beseft dat het soms beter is een boevenstreek uit te halen dan zijn heil te zoeken in elegante diplomatie.''

In de ruim zeventien jaar dat mr. Baeten burgemeester was van Maastricht is hij, in het belang van zijn stad, de strijd niet uit de weg gegaan. ""Van het begin af aan heb ik er zelfbewust voor geijverd van deze streek meer te maken dan een ergens onderaan bungelend deel van ons land. De bestuurders in het westen waren gewend Nederland louter te zien als een delta, de haven van West-Europa; voor het gemak vergaten ze dat Maastricht al een stad was toen Holland nog niet meer voorstelde dan een lagune waar je natte voeten kreeg. Te pas en te onpas heb ik erop gehamerd rekening te houden met dit gebied dat - men begint het nu eindelijk te beseffen - op een meer centrale plek in Europa ligt dan de Randstad. Van hieruit zijn we eerder in Parijs dan in Amsterdam - om van Keulen en Düsseldorf maar te zwijgen.''

Een belangrijk wapenfeit van de burgemeester was de ontwikkeling van Randwyck, een terrein van honderd hectare waarop hij in zijn appartement een riant uitzicht heeft. Een van de eerste gebouwen die daar verrezen was het provinciehuis (in Maastricht het gouvernement geheten), tot voor kort de zetel van gouverneur Sjeng Kremers. ""Net als ik is Kremers een doordouwer'', zegt Baeten. ""Niet overal was hij even bemind, maar Limburg heeft grotelijks van hem geprofiteerd.''

Mede door diens toedoen verrees later in Randwyck het al even kolossale Maastrichts Expositie en Congres Centrum (MECC) dat inmiddels, om de verliezen te beperken, nauw samenwerkt met de RAI. ""De plannen daarvoor werden gezien als een vorm van megalomanie, maar dat soort kritiek neem je op de koop toe'', stelt Baeten berustend. ""Kleindenkertjes zien nu eenmaal niet de grote structuren. "Als het een veredeld patronaatsgebouw moet worden, kunnen we er beter niet aan beginnen', zei ik. "Wie zoiets doet, moet het goed doen, dus op Europees niveau'. Inmiddels biedt het complex nu, om wat te noemen, eens per jaar onderdak aan de beste antiekbeurs van de wereld. De belangrijkste kunsthandelaars uit Londen, Parijs en Duitsland komen er op af. Het zegt natuurlijk niet alles, maar illustratief is wel dat ik er eens zeven Rolls Royces voor de deur zag staan.''

Voor de emancipatie van Maastricht vond Baeten het essentieel dat er hoger onderwijs zou komen. ""Anders dan de minister lag de ambtelijke top in Den Haag dwars, maar ik heb er hard voor gevochten hier studenten te krijgen. Het maakte niet uit of ze Sanskriet kwamen studeren, waar het ons om ging was een influx van mensen met niveau. Voor de hele regio was dat van levensbelang, dat merkte je op alle fronten. Bij ontmoetingen van topfiguren uit de regio werd duidelijk dat Maastricht niet ebenwürtig was: Aken en Luik waren vertegenwoordigd door (bijvoorbeeld) een bisschop, een rector-magnificus en de directeur van de Société Générale, Maastricht door een deken en de directeur van een bijkantoor van de Amro-bank. Zo bleef Limburg, naar het leek, een uithoek.''

Men was het erover eens dat daarin verandering zou komen toen twintig jaar geleden de keus viel op Maastricht als plaats voor een achtste medische faculteit, de aanzet tot een volwaardige universiteit. Om de zaak van de grond te tillen, zoals het heette, werd als sterke man dr. Jacobus (Co) Greep aangetrokken, een in Amsterdam werkzame chirurg die gezien zijn daadkracht later de bijnaam Mr. Bulldozer kreeg. ""Toen ze me benaderden, wist ik nauwelijks waar Maastricht lag'', herinnert hij zich. ""Er was toen veel verval in dit gebied en de bevolking werd afgeschilderd als een verzameling luie, bier drinkende mensen. Dat we hier verkeren op het balkon van Europa hadden maar weinigen door - het leek wel of Maastricht in Limbabwe lag, een plek die in Holland niet op de kaart stond.''

Besloten werd dat de nieuwe opleiding zich zou richten op community medicine ofwel de eerstelijns gezondheidszorg, door Greep aangeduid als een aantrekkelijk selling-point. Daarnaast koos men voor probleemgericht onderwijs, een systeem dat uitgaat van de zelfwerkzaamheid van studenten. Ondanks deze noviteiten was de oppositie sterk, ook binnen de eigen gelederen. Om zich daartegen te wapenen, had Greep een aantal medestanders uit "het westen' meegenomen: ""Met een paar bedouïnen voor de tent kon ik, zonder kogelvrij vest, tenminste rustig slapen.'' Maar ook buiten de faculteit waren er formidabele tegenkrachten, die om financiële redenen aan de opleiding liefst snel een eind wilden maken. Dank zij een intensieve lobby van gouverneur Kremers en dr. J. Tans (voorzitter van het college van bestuur) kon het tij echter worden gekeerd. Als bewijs daarvoor dient het eerder dit jaar geopende Academische Ziekenhuis, de derde Randwyck-kolos die een investering vergde van 640 miljoen. Alleen al omdat het ziekenhuis werk verschaft aan 3.000 mensen is het voor Maastricht "een geschenk uit de hemel', meent Greep.

De Rijksuniversiteit Limburg telt intussen 7000 studenten verdeeld over vijf faculteiten, waaronder rechten en economie. Bovendien herbergt het vrijgekomen ziekenhuis Annadal een afdeling van de Teikyo-universiteit, eigendom van een schatrijke Japanse gynaecoloog en bankier. Afgezien van een opleiding Europakunde en nascholing, biedt de Japanse universiteit de mogelijkheid zich medisch te laten keuren. Aangezien er 50.000 Japanners wonen in de wijde omtrek van Maastricht (nu ook aangeduid als Nippon aan de Maas), gaat men er van uit dat Teikyo van alle internationale instellingen het drukst beklant zal zijn.

De overtuiging heerst dat "het nieuwe Maastricht' de bevolking het nodige zelfvertrouwen geeft. Een domper op de vreugde is evenwel dat de universiteit, de instituten en ook de grote bedrijven vrijwel uitsluitend worden bestuurd door mensen van buiten. Sommigen trekken hieruit de conclusie dat de stad wordt "doodgedrukt' door vreemdelingen, die wel even zullen vertellen hoe het moet. Als schrikbeeld dient Heerlen, een volgens oud-gemeentesecretaris H. Hameleers door import-beambten "vernederlandste stad, waar men een opgeklopt Hollands spreekt dat pijn doet aan de oren'. Ondanks de angst voor dergelijke uitwassen is de Maastrichtse hang naar beslotenheid, zoals Hameleers het noemt, de laatste tijd afgenomen. Buitenstaanders die zich aan de plaatselijke zeden aanpassen, kunnen rekenen op een gastvrij onthaal, zo verzekert men. Co Greep, ex-clubarts van Ajax, bracht het zelfs al tot voorzitter van de raad van bestuur van de voetbalclub MVV. De Mastreechter Staar, het 107 jaar oude mannenkoor met 165 "inzetbare' zangers, polste hem bovendien voor een erefunctie.

Hameleers beziet dergelijke ontwikkelingen nuchter. Zonder de aanwezigheid van zoveel Hollanders in de stad toe te juichen, legt hij zich bij hun komst neer. Pogingen "een wal' tegen hen op te werpen, beoordeelt hij als zinloos; meer kansen biedt naar zijn idee het streven zoveel mogelijk van "het eigene' te bewaren. Een niet onaardig succes noemt de oud-gemeentesecretaris de actie tegen "Hollandse stampers', maar hij wil de nadruk niet leggen op carnaval. Liever wijst Hameleers op de verrichtingen van de vele blaasorkesten en de vereniging 't Veldeke, die zich inzet voor behoud van het eigen dialect. Moedgevend is dat de Diksjenaer van 't Mestreechs van dr. H.J.E. Endepols nog altijd een veelgebruikt naslagwerk is.

Tot de plaatselijke cultuur rekent Hameleers ook de processies, waarvoor de belangstelling niet afneemt. Een hoogtepunt is de in 1874 in ere herstelde Heiligdomsvaart, een naar hij zegt religieus spektakel waarbij eens in de zeven jaar de relieken van heiligen door de straten worden gedragen. ""De mensen in de stad kijken daar naar uit, maar toen we vorig jaar bij de voorbereiding een bedrijf vroegen om steun wist de directeur niet waar we het over hadden. Daaraan merk je dat de tijden toch echt zijn veranderd, vroeger was dat ondenkbaar.''

Voor de "echte' Maastrichtenaren, zo hoor ik keer op keer, is de band met het verleden van overheersend belang. Zij voelen zich inwoners van Nederlands' oudste stad, die zijn karakter voor een deel dankt aan het beginsel van de tweeherigheid. In 1284 werden de uitgangspunten daarvan vastgelegd in de Alde Caerte, waarin stond dat de Luikse bisschop en de hertog van Brabant gelijke rechten kregen op de stad. Het verdrag pakte gunstig uit: laverend tussen belangengroepen, kon Maastricht een eigen koers volgen. Ubachs geeft aan dat het leven in de gesloten gemeenschap eeuwenlang een rustig verloop had; alleen ingrepen van buitenaf, zoals een beleg of een naburige oorlog, deden de inwoners beseffen ""deel uit te maken van een wereld, die groter was dan het plekje grond aan weerszijden van de Maas, waar zij geboren waren.''

""De stad kende geen denkers, geleerden of schrijvers'', aldus Ubachs, eraan toevoegend dat de scholen van de jezuïeten niet inspireerden tot nieuwe inzichten. Dat bleek opnieuw toen Maastricht in 1794, voor de tweede maal in de historie in Franse handen, kennis maakte met de verworvenheden van de Verlichting en de Franse revolutie. Zowel recht als bestuur veranderden grondig en in de Waalse kerk heerste een tijdlang de Koningin van de Rede, maar de ideeën van de nieuwe tijd vonden weinig weerklank.

Ook de inlijving bij Nederland in 1815, waaraan de Belgische opstand vijftien jaar later geen verandering bracht, maakte weinig los. Anders dan velen nu denken, was slechts een minderheid fervent voorstander van aansluiting bij België; de overigen legden zich, zoals hun voorouders in voorkomende gevallen, lijdzaam neer bij de feiten.

Toch is de geest van verzet ook na 160 jaar niet geheel verdwenen. ""Het besluit ons ongevraagd bij Nederland te voegen, is de grootste vergissing die ooit in dit deel van Europa is gemaakt'', vindt Lou Heynens, oud-kamerheer van prinses Marianne de Saxe-Coburg et Gotha. ""Daarmee werd dit gebied gedegradeerd tot een wingewest waaruit de crème is weggetrokken. Waren we maar gewoon een Hollandse kolonie geworden! Als dat was gebeurd, hadden we ons tenminste kunnen verweren en waren we minder bekaaid af geweest.''

In het keldercafé van Jan Datema's boekhandel zegt Heynens maar moeilijk te kunnen wennen aan de gedachte, dat de regering in Den Haag het ook in Maastricht voor het zeggen heeft. ""Wij zijn hier zoveel heen en weer geschoven en verhandeld, dat we nergens bij horen: over onze identiteit verkeren we nog altijd in onzekerheid. Wat kan je anders verwachten in een gebied dat is doordesemd van culturen en keer op keer werd belegerd door vreemden die er hun lusten botvierden?''

In dit perspectief gezien is het absurd, zoals Hameleers zegt, dat Zuidlimburgers worden gedwongen hun historie met Nederlandse ogen te bekijken. ""Op school leerden we alles over Leiden en Den Briel, maar niks over wat er hier was voorgevallen. Zoiets laat zijn sporen na: toen kardinaal Willebrands bij de Heiligdomsvaart het woord voerde, zei hij inplaats van Servatius tot tweemaal toe Bonifatius. Dàt is tenslotte een naam die op school aan de orde komt.'' Heynens: ""Alleen al het geschiedenisonderwijs geeft aan dat Hollanders dit gebied zagen als een achterland, een streek die tot voor kort buiten hun gezichtsveld lag.''

Toch ontwikkelde Maastricht zich tot de eerste geïndustrialiseerde stad van het land. Dat was te danken aan Pie Regout, die in 1834 begon met de fabricage van aardewerk, glas en kristal. Vijftien jaar later had zijn Sphinx-fabriek al 600 man in dienst en in 1864 was het aantal opgelopen tot 2.000. De werknemers kregen voor die tijd goede voorzieningen, maar werden klein gehouden: Regout wierp zich op als een vader, raadgever en beschermer. De gevolgen van deze benadering waren nog lang merkbaar. Jan Meijer, die enige tijd leiding gaf aan een van de bedrijven van het toenmalige "Regout-imperium', vond er in 1960 nog de resten van een paternalistisch stelsel: ""Als directeur was je tegelijkertijd biechtvader en vertrouwensman. Ook met hun persoonlijke problemen kwamen de mensen naar je toe.''

Regout pakte de zaken in alle opzichten groot aan. Voor de pottemennekes, zoals zijn arbeiders werden genoemd, liet hij in 1864 de Cité Ouvrière bouwen, een revolutionair woongebouw dat zeventig gezinnen onderdak bood. Als noviteit telde het gebouw zestien inpandige wc's en een lijkenkamertje. Gezien de veranderde inzichten werd de Cité later het voorportaal van de hel genoemd, een woonkazerne gebouwd op initiatief van een boeman. Evenals elders waren de leefomstandigheden inderdaad abominabel, maar de schuld daarvoor lag vooral bij de gemeente: het stadsbestuur maakte de belangen van de arbeidersbevolking als vanzelfsprekend ondergeschikt aan die van de welgestelden.

Zo bleef Maastricht in maatschappelijk opzicht een achtergebleven gebied. Tot ver in deze eeuw was er een omvangrijk stadsproletariaat, dat in verwaarloosde buurten bijeen hokte. Zelfs in de jaren vijftig nog gold het gebied rond de Stokstraat als een toonbeeld van verpaupering: een gribus waar, zo willen de verhalen, misdaad en ontucht de hoekstenen vormden van het bestaan en militairen zich niet mochten vertonen.

Toen het dertig jaar geleden tot renovatie kwam, verhuisden de bewoners na een verblijf in zogenaamde woonscholen naar nieuwbouwwijken. De Stokstraat werd het domein van dure winkels, een bestemming die overeenkwam met de wensen van toonaangevende Maastrichtenaren. Volgens kenners betrof het hier een coterie, die bestond uit managers van belangrijke ondernemingen, de burgemeester en enkele wethouders. Jan Meijer weet uit ervaring dat de bijeenkomsten van het gezelschap, beurtelings gehouden in het restaurant Au Coin des Bons Enfants en de Prinsenkelder van het stadhuis, van nut waren. ""Tijdens de ontmoetingen werd bepaald wat er in de stad ging gebeuren. Mensen buiten de club spraken verwijtend over gekonkelefoes, maar er ging een enorme stuwkracht van uit. En het was allemaal ten faveure van Maastricht: voor je het wist zat je in de besturen van allerlei scholen en verenigingen.''

Ingewijden stellen, wijzend op de lunchbijeenkomsten in Chateau Neercanne, dat een "fijnmazig netwerk' ook tegenwoordig een rol speelt. ""De lijnen zijn hier nog altijd heel kort'', bevestigt Co Greep. ""Men komt elkaar al gauw tegen, dat maakt het makkelijk informele contacten te leggen.''

Toch is er veel veranderd, meent gemeentevoorlichter Pieter Beek. ""De groep die de macht had is verdwenen, de achterkamertjes zijn dichtgetimmerd. Onder leiding van een aimabele burgemeester worden de zaken nu op een pragmatische wijze geregeld.''

Daarbij komt dat de politieke verhoudingen zijn gewijzigd sinds de verkiezingswinst van de PvdA, vijf jaar geleden, de CDA-hegemonie ondermijnde. Hoewel de aanhang van de socialisten weer is geslonken, groeide sindsdien het besef dat de partijen gezamenlijk de positie van Maastricht in de "Euregio' moeten versterken. ""Dat betekent niet concurreren met Aken en Luik'', aldus John Geelen, raadslid van Groen Links. ""Als relatief kleine stad zoeken we juist samenwerking, onder meer wat betreft milieu, vervoer en de bestrijding van drugs. Ook in de sector cultuur zou het misschien beter zijn niet de competitie met hen aan te gaan. Moeten we hier, bijvoorbeeld, ook opera brengen of is het verstandiger ons te richten op dans, iets dat in Aken en Luik weinig aandacht krijgt?''

De vraag zal tot de nodige discussies leiden nu Maastricht moeite doet haar zwakke culturele image op te vijzelen. Ondanks opleidingen als de Jan van Eyck-academie en de toneelschool, is er op dit terrein al jaren sprake van achterstand. Het gemor daarover verzwakt nu bekend is dat het Bonnefantenmuseum (ondergebracht in een verbouwd winkelpand) in 1993 verhuist naar een door Aldo Rossi ontworpen gebouw en Het Theater aan het Vrijthof al over drie maanden officieel zijn deuren opent. Dank zij deze nieuwe zaal hoeft het toneelaanbod niet langer beperkt te blijven tot vestzaktheater en wordt het Limburgs Symphonie Orkest eindelijk verlost uit het Staargebouw, vaak omschreven als een hooischuur. Een graag gememoreerd pluspunt vormt ook het groeiende aantal galeries, waaronder die van Wanda Reiff de belangrijkste plaats inneemt. Met exposities van coryfeeën als Lüpertz en Baselitz trekt de galerie veel kijkers, maar onder hen vormen Maastrichtenaren een minderheid. ""Men is hier meer geïnteresseerd in "lekkere' kunst, wat dit betreft zitten we hier diep in de provincie'', stelt echtgenoot Luc Reiff. ""Als er in de stad een beeld wordt geplaatst, is het er een van een knikkerende jongen, een grand geste ontbreekt. Wat moderne kunst betreft is Almere actiever.''

Ook anderen slaan de culturele belangstelling van de Maastrichtse bevolking niet hoog aan. Men zou voornamelijk zijn geïnteresseerd in carnaval en preuvenement, bepaalde uitingen van volkscultuur en de voor Hollanders onverstaanbare conferences van cabaretier Thei Dols. Een trouwe aanhang heeft ook de veelbekroonde amateurgroep M46, maar oprichter Ber Heugen stelt vast dat zijn theatertje in het Pesthuis alleen "het betere publiek' trekt. ""Alle anderen willen alleen maar amusement. Naar het nieuwe Theater aan het Vrijthof zullen ze ook wel niet gaan, dat ziet men hier louter als een prestige-object.''

Het vooruitzicht van lege stoelen wekt in de stad minder verontrusting dan de 34 miljoen die minister d'Ancona in Limburg wil bezuinigen op cultuur en welzijn. Slechter nog valt haar plan om na 108 jaar een eind te maken aan het zelfstandig bestaan van het Limburgs Symphonie Orkest, een ensemble dat prat gaat op zijn warme, zuidelijke klank. Directeur Peter van de Braak beluistert in het voorstel slechts het gekras van een centenkraai, zo liet hij de bewindsvrouw weten. ""Het is een botte poging om de 1,1 miljoen Limburgers te benadelen'', licht hij toe. ""En het ergste is nog dat het hier bezuinigde geld ten goede moet komen aan de Randstad. Onrechtvaardiger kan het niet.''

Zijn woorden vinden weerklank bij klarinettist Harry Beers, het oudste orkestlid. ""Weer zijn we de klos'', roept hij uit. ""Opnieuw worden we onderdrukt door het westen. Zijn wij dan toch geen Nederlanders?''

""Al het goed dat gouverneur Kremers voor Limburg en surtout Maastricht tot stand bracht, wordt zo teniet gedaan'', voegt H. Hameleers er later aan toe. ""Door dit soort beleid steekt het idee de kop weer op dat we hier in het donkere zuiden zitten.''

Toch zijn velen in Maastricht het erover eens dat de toekomst er gunstig uitziet. Daarbij wijzen zij niet alleen op het belang van de universiteit, maar ook op de ambitieuze opzet van het Céramique-project, het tweede stadscentrum dat de komende jaren zal verrijzen op het braakliggende Sphinx-terrein. Coördinator van de plannen is Jo Coenen, de bekroonde ontwerper van het Nederlands Architectuur Instituut te Rotterdam. ""De gemeente vroeg me voor dit terrein van 23 hectare snel even een opzetje te maken. Dergelijke lichtzinnige verzoeken krijg ik wel vaker, maar in dit geval was het uitgangspunt goed: men wilde deze keer niet, zoals in Rand-wyck, lukraak aan het bouwen slaan. Daarom ben ik eraan begonnen.'' Toch heeft Coenen zich verzekerd van de steun van "de minst serviele architecten' die hij kon vinden, onder wie Mario Botta en Alvaro Siza. ""Het zijn grote geesten en, wat zeker zo belangrijk is, keiharde doordouwers. Samen zullen we ons verzetten tegen projectontwikkelaars die, als ze de kans krijgen, aansturen op fantasieloze compromissen. Wij worden gedreven door een droom: een verzoening tot stand brengen tussen oud en nieuw, een stad maken die blijdschap uitstraalt.''

Dat komt aardig overeen met het beeld van Maastricht dat Lou Heynens koestert: een plek waar zoete invallen gedijen. Maar of de gemeente daarmee tevreden is, valt te betwijfelen. In haar brochures, vormgegeven in geavanceerde stijl, spreekt zij over "het centrum van een topregio'. Anders gezegd: een stad met Europese allure.