Koerdische dodenstad Halabja komt weer tot leven; Tienduizenden bewoners keren terug naar hun woonplaats

HALABJA, 7 DEC. Op de begraafplaats even buiten de uitgestrekte ruïnes van de Koerdische stad Halabja in het noordoosten van Irak oogt de aarde op veel grafheuveltjes nog vers, ook al zijn de begravenen al ruim drie jaar geleden gestorven. Hier, aan de voet van hoge, kale bergen die de grens met Iran vormen, liggen de resten van de circa 5.000 slachtoffers van de aanval met chemische wapens die de Iraakse strijdkrachten half maart 1988 op Halabja uitvoerden, dat toen tijdelijk in handen van door Iran gesteunde Koerdische verzetsstrijders was.

Pas dit jaar, zo leggen enkele jongetjes ernstig uit, hebben teruggekeerde familieleden een deel van de gestikte slachtoffers een ordentelijke laatste rustplaats kunnen geven. Voorzover mogelijk hebben ze de beenderen uit anonieme, door Iraakse militairen gemaakte massagraven gehaald en opnieuw begraven.

Van één graf met de lijken van 125 mensen hebben de Koerden een sober maar indrukwekkend monument gemaakt. Er is een muurtje omheen gebouwd en daarbinnen liggen her en der verspreid oude, aangetaste kledingstukken van de doden die kennelijk in de massagraven waren aangetroffen. Midden op de aarde van het graf staat eenzaam een draagbare houten kinderwieg.

Hoewel de naam Halabja voor altijd met de miserabele dood van de 5.000 verbonden zal blijven, komt de vroeger welvarende stad die in haar goede tijd zo'n 70.000 inwoners telde weer langzaam tot leven. Naar schatting 40.000 van de oorspronkelijke bewoners zijn inmiddels teruggekeerd. Ondanks de verzwakte positie van Saddam Hussein en de Westerse beloftes aan de Koerden zo nodig hulp te verlenen, is niet iedereen al bereid tot deze stap. “Sommigen uit Halabja zitten nog steeds in Iran, die durven niet terug uit angst voor een herhaling van 1988”, zegt de marktkoopman Salah Ali Mirza, staande voor de troosteloze restanten van een groot gebouw dat eens de fraaie residentie vormde van de plaatselijke "aga', de belangrijkste figuur van de stad en haar wijde omgeving.

Langs de hoofdstraat zijn talrijke stalletjes verrezen, waar voedsel en andere zaken te koop worden aangeboden voor de gelukkigen die nog wat geld hebben te besteden. Ook klinkt via een megafoon - elektriciteit is er nog niet - plotseling schallend de vertrouwde oproep tot het gebed, maar vrijwel niemand geeft hieraan zo te zien gehoor.

Zij die zijn teruggekomen moeten meestal kamperen op of onder de reusachtige puinhopen van de stad. Aan alle kanten steken de geknakte betonnen platen - ter plaatse het meest gebruikte bouwmateriaal - onder de gekste hoeken omhoog, alsof moderne architecten in deze provinciestad zich te buiten zijn gegaan aan de wildste experimenten.

De ruïnes dateren niet van de dag van het chemische bombardement maar van daarna, toen het Iraakse leger de stad weer had ingenomen. Halabja onderging vervolgens het lot dat naar schatting 4.000 Koerdische dorpen ook heeft getroffen. Met behulp van springstof werd de gehele stad met de grond gelijk gemaakt. Slechts enkele huizen bleven dank zij de grillige willekeur van de Iraakse machthebbers gespaard. Ten strengste verbood de Iraakse leiding de bewoners - zoals trouwens de hele Koerdische bevolking in een grenszone van enkele tientallen kilometers breed - nog maar één voet te zetten in de stad of haar omgeving.

Velen uit Halabja werden geïnterneerd in centra in de buurt van grote steden, die deden denken aan concentratiekampen. Zo ook Salah Ali Mirza: “Ik verbleef als vluchteling in Iran tot mei 1989 en besloot toen terug te keren. De Irakezen brachten me spoedig over naar het kamp Khirdeshal in de buurt van de stad Arbil. Daar woonde ik jaren achter een hek in een plastic hutje”. Een andere man, Karim Said Salaam, met een grijze stoppelbaard, mengt zich in het gesprek. Hij vertelt in het voorbijgaan dat hij alleen al aan vaderszijde 36 familieleden heeft verloren bij het chemische bombardement. Al die tijd nadien zat hij in Iran. Pas drie maanden geleden had hij voldoende moed bij elkaar geraapt om de tocht naar Irak te wagen.

UNHCR en andere organisaties proberen de plaatselijke bevolking te helpen bij de wederopbouw van hun huizen. Ze voeren bouwmateriaal aan, waarna de mensen zelf hun huizen moeten herbouwen. Maar het accent van deze hulpoperatie ligt op de verwoeste dorpen in het noorden. In Halabja is er nog weinig vooruitgang te zien.

Een van de schaarse gebouwen van vroeger die onbeschadigd zijn gebleven, een rommelig voormalig winkelcentrum midden in Halabja, dient nu als onderkomen voor honderden vrouwen en kinderen. In kleine donkere nissen, waar vroeger kleine handelaars hun nering dreven, hebben ze hun karige bezittingen opgeslagen, netjes in zakken zodat ze er eventueel weer in allerijl met spullen en al vandoor kunnen gaan. Want de mensen in Halabja blijven op alles voorbereid.

Onder de bewoners van het winkelcentrum bevinden zich velen die eigenlijk niet uit Halabja afkomstig zijn. Zo'n 20.000 vluchtelingen uit zuidelijker gelegen plaatsen als Kalar, Kifri en Chamchamal die nog regelmatig door de troepen van Saddam Hussein met artillerievuur of anderszins worden bestookt zijn naar het buiten de vuurlinie liggende Halabja getrokken.

De 35-jarige Gullabakh Abdul Karim uit de buurt van Kalar bewoont met haar drie jonge kinderen al twee maanden een van de nissen. Zij en haar kinderen krijgen een klein beetje eten van de vluchtelingenorganisatie van de VN, UNHCR, maar volgens haar is dit lang niet toereikend. Haar echtgenoot heeft ze al sinds 1987 niet meer gezien en ze vreest dat hij dood is. Het hele gezin werd destijds samen met andere door de Iraakse autoriteiten naar de grote stad Kirkuk opgebracht, waar de mannen van de vrouwen werden gescheiden. Ze werden verdacht van contacten met de peshmerga's, de Koerdische verzetsstrijders. Zelf belandde Gullabakh vijfëneenhalve maand in de gevangenis. Ze wijst op haar rechterhand, die vreemd krom staat. Ze is er, zegt ze, zo vaak en zo hard op geslagen dat de hand sindsdien misvormd is. Of ze nog lang in Halabja kan blijven, betwijfelt ze: “We hebben geen brandstof en als het zo meteen winter wordt, kunnen we het hier niet uithouden”.

De hygiënische toestand in Halabja laat ernstig te wensen over. De waterleiding functioneert niet meer en er zijn geen toiletten. Overal liggen uitwerpselen, waarop de talrijke vliegen zich met gretigheid storten. De stank is hier en daar ondraaglijk. UNHCR heeft overigens aangekondigd hieraan spoedig iets te willen doen.

Plaatselijke vrijwilligers zijn onder leiding van enkele Koerdische ingenieurs aan de slag om de voorzieningen van de stad te herstellen. Een bulldozer is bezig om het puin bij een school weg te ruimen. Ingenieur Abdullah Mohammed schat zes maanden nodig te hebben om de school weer op te bouwen. Hij en zijn mensen staan voor een ware Sisyfusarbeid. Niet alleen zijn er kolossale hoeveelheden geknakte loodzware betonnen platen in de stad, bovendien ontbreekt het zware materieel om de brokstukken op te ruimen.

In heel Halabja zijn er welgeteld twee bulldozers aan het werk. “Ja, die bulldozers zijn duur”, klaagt Abdullah Mohammed, “die kosten zo'n 70 dinar per uur (omgerekend tegen de koers op de zwarte markt zo'n 15 gulden)”. Een broodnodige hijskraan is in geen velden of wegen te bespeuren.

Al komt de wederopbouw zeer moeizaam van de grond en hebben de bewoners van Halabja een zware winter voor de boeg, ze zitten zeker niet uitsluitend in zak en as. “We zijn allemaal zielsgelukkig dat we weer thuis zijn en bovendien in vrijheid”, zegt Salah Ali Mirza. Enkele omstanders brommen instemmend en gaan daarna huns weegs, hulpbehoevend maar vrij.