"Hoog tijd dat reclassering zich aan realiteit aanpast'; "Het is ook beter voor Justitie om meer tegenspel te krijgen'

DEN HAAG, 7 DEC. Het is hoog tijd dat de reclassering zich aanpast aan de maatschappelijke realiteit. De nieuwe directeur van de Nederlandse Federatie van Reclasseringsinstellingen (NFR), drs. T. van der Valk, laat geen twijfel bestaan over zijn bedoelingen. De sterk versnipperde organisatie van 19 autonome stichtingen in evenzovele arrondissementen die zich nu gesubsidieerd door Justitie bezig houdt met hen die in aanraking (dreigen te) komen met het strafrecht, moet in hoog tempo worden gestroomlijnd. Van der Valk, die halverwege de maand september aantrad, reist sindsdien zoals hij het noemt “als een bouwpastoor door het land om de stichtingsbesturen wakker te schudden”. De nieuwe directeur wil één grote organisatie waarbinnen de mensen “meer carrièremogelijkheden hebben en minder vastgeroest zitten in hun posities.”

Dat een dergelijk streven niet zonder risico is, ondervond Van der Valks voorganger, L. Witvliet, die begin dit jaar door het bestuur van de federatie de wacht werd aangezegd omdat hij verdacht werd van “centralistische” neigingen.

Kort daarop proclameerde staatssecretaris Kosto verregaande bezuiningsmaatregelen in het kader van de Tussenbalans. Het aandeel van de reclassering in deze bezuinigingsoperatie bedraagt 8 miljoen gulden.

“De maatregelen kwamen op het moment dat de federatie als een stuurloos geworden schip zwalkte op een woelige zee”, zegt Van der Valk. “Een werkgroep is toen enige maanden bezig geweest met het formuleren van een oplossing. Maar dat is mislukt. Hen werd een gebrek aan creativiteit verweten. Vervolgens ging een werkgroep van louter departementale ambtenaren aan het werk. Die waren er in één middag uit. Dat was dus ook geen succes. Ik vrees dat de inspanningen van de reclassering het afgelopen jaar beneden de maat zijn gebleven.”

U bent bezig met een soort turn-around-management?

“Ja, ik durf het zelf niet hardop zo te benoemen, want dan denkt iedereen meteen "Oh, God, dat niet'. Maar ik ben gedwongen de zaken sterk aan te zetten omdat we zo weinig tijd hebben. We moeten snel naar een verbeterde organisatie. Op dit moment heeft het federatiebestuur slechts een coördinerende functie maar dat werkt niet bevorderlijk als het reclasseringswerk zoals nu onder vuur ligt. Het is ook beter voor Justitie om meer tegenspel te krijgen. Daarom moet er een moment komen dat de het federatiebestuur kan roepen: "Nu moet het potverdomme zó, anders verzuipen we met z'n allen'. We moeten naar één organisatie voor jeugd- en volwassenenreclassering. Daar zit logica achter.”

Wat moet het doel dan zijn?

“Er zijn drie doelen. Allereerst is er een nieuw gebied van preventieve aandacht voor jongeren die dreigen af te glijden naar een criminele carrière. Met name allochtone jongeren die zich niet opgenomen voelen in de samenleving, die taalachterstand hebben, zouden bij hun eerste contact met de politie in het preventieve circuit terecht moeten komen. Verder blijven wij erop gericht de populatie die met het strafrecht te maken krijgt mogelijkheden te geven voor een terugkeer in de samenleving. En ook de "losers' die in het strafsysteem terecht komen behoren bij onze doelgroep. Hen aan hun lot overlaten zou ten eerste inhumaan zijn maar bovendien de onveiligheid van de samenleving vergroten. Ook die mensen moet je betrokken houden. Je moet natuurlijk aandacht schenken aan slachtoffers maar dat zijn de meeste criminelen zelf ook. Overigens klopt het softe beeld dat er van de reclassering bestaat niet meer. Mensen die in de strafrechtelijke keten terechtkomen worden niet meer vertroeteld maar aangesproken op hun verantwoordelijkheden.”

Hoe reageren de stichtingsbesturen op uw daadkracht?

“De veranderingsbereidheid is groot, zeker bij de mensen die het echte werk doen. Natuurlijk is er ook weerstand. Ik probeer de stichtingen niet onder een zo grote druk te zetten dat de bestuurders verloren gaan voor de reclassering; want voor een groot deel zit daar ons maatschappelijk draagvlak. Maar als je constateert dat de helft van het budget opgaat aan hulpverlening waarvan de effecten niet duidelijk zijn, is dat te wazig. Het gaat niet om een tientje maar om miljoenen. Een professionele organisatie hoort verantwoording af te leggen over zijn produktie. Men kan natuurlijk wachten tot Justitie ingrijpt maar als je als geprivatiseerde club serieus genomen wil worden, moet je opveren en tegenspel bieden. Daarbij past wat nu doen: het inhuren van een extern bureau voor organisatie-advies. Maar ik wil bijvoorbeeld ook dat alle mensen in leidingevende functies op contractbasis voor drie tot vier jaar worden aangesteld. Zelf blijf ik nooit langer dan vijf of maximaal zeven jaar in een functie. Dat is goed voor de flexibiliteit van een organisatie. Bloedverversing op zijn tijd is nodig.”