HET VADERLAND IN EUROPA

Op uitnodiging van NRC Handelsblad en de studentenvereniging AEGEE debatteren staatssecretaris P. Dankert en VVD-fractieleider F. Bolkestein morgen over "Het Vaderland in Europa'. Zij zijn gevraagd in te gaan op drie vragen: Kan het Nederlandse EG-voorzitterschap als een succes worden gekwalificeerd? - Kan een klein land nog wel in staat worden geacht het EG-voorzitterschap te vervullen? - Ontstaat er in de Nederlandse publieke opinie meer begrip voor het Britse standpunt en zo ja, hoe is dat te verklaren? Vandaag betrekken zij de stellingen die zij morgen in de Stadsschouwburg van Maastricht zullen verdedigen. De bijdragen zijn bekort door de redactie.

Eenheid is noodzaak; Amerika knapt onze klussen niet langer op

De balans van het voorzitterschap is nog niet op te maken, maar er zijn wel al positieve en negatieve punten te vermelden. Om met het slechte nieuws te beginnen: Nederland heeft eind september onvoldoende steun gevonden voor een voorstel de Europese Politieke Unie (EPU) onder te brengen in een unitaire structuur en democratische controle door het Europese parlement tot stand te brengen op besluiten die binnen de EG met meerderheid van stemmen worden genomen. Aan de winstzijde van de balans valt nu te noemen: het bereiken van een politiek akkoord over de Europese Economische Ruimte, het gestaag verder brengen van de wetgeving die nodig is voor de totstandkoming van de interne markt, het gereedmaken van de associatie-akkoorden voor ondertekening met Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije en het eveneens ondertekeningsrijp maken van het Energiehandvest. Maar pas in januari kan de balans worden opgemaakt.

Dan nu de tweede vraag. Al in het begin van het voorzitterschap kwam de vraag zijdelings aan de orde toen een Kamerlid van de PvdA suggereerde om de zogenoemde "troïka', die dit halfjaar uit drie kleine landen bestond (Nederland, Luxemburg en Portugal), met een grote lidstaat uit te breiden. Nu vraagt deze krant mij of het voorzitterschap van een klein land in het algemeen niet twijfelachtig is.

Noch het een, noch het ander is aan de orde. Dat neemt niet weg dat er een probleem is, maar dat betreft het voorzitten van de EG in het algemeen. De Joegoslavische kwestie, twee intergouvernementele conferenties, de onderhandelingen van de EER, de (Oost-)Europa akkoorden, de GATT-onderhandelingen - om het tot een aantal onderwerpen te beperken - zijn een uitermate zware belasting voor elk voorzitterschap. Een minister van buitenlandse zaken - en ook grote landen hebben er maar één - moet een kerngezonde mannetjesputter zijn en zich geheel aan het voorzitterschap kunnen wijden wil hij zo'n pakket onderwerpen in de beperkte periode van een voorzitterschap op een voor de Gemeenschap bevredigende wijze kunnen behandelen. De voorzitter in het tweede halfjaar heeft daarbij nog een extra probleem: zijn zes maanden zijn er in de praktijk maar vier à vierëneenhalf. Immers, de augustusmaand wordt in Brussel benut voor vakantiedoeleinden en de feestdagen in december knabbelen ook gauw een halve maand uit het beschikbare rooster.

Het ziet ernaar uit dat het soort belasting dat nu het Nederlandse voorzitterschap kenmerkt in de toekomst niet uitzonderlijk zal zijn. De ons opvolgende Portugezen hebben nu al een interne EG-agenda - onder andere cohesie, begrotingsdiscipline, landbouwhervorming - waartegen je u mag zeggen. Hun externe agenda - Midden-Oosten, Oost-Europa, Joegoslavië, Sovjet-Unie - ziet er niet veel beter uit dan de onze. Daarna komen toetredingsonderhandelingen, nieuwe IGC's (conferenties over nieuwe verdragen, red.) en de waarschijnlijkheid dat Europa ten oosten van de EG, mogelijk ook Noord-Afrika en het Midden-Oosten ons blijvend zullen bezighouden. Kortom, niet het vervullen van het voorzitterschap door een klein land, maar het voorzitterschap op zich wordt in toenemende mate een probleem.

Daarmee is overigens niet gezegd dat de kwestie "groot land of klein land' geheel zonder betekenis is. Wanneer een betrekkelijk klein land als Nederland in de Joegoslavische kwestie namens de Twaalf spreekt, worden de verhoudingen binnen die Twaalf niet echt geschaad als de Duitse pers Nederland de schuld geeft van het uitblijven van erkenning van Kroatië. Wanneer een land als Frankrijk in die omstandigheden het voorzitterschap zou bekleden, zou direct de Frans-Duitse as onder vuur komen te liggen. Daar staat tegenover dat als een voorzitter uit een groot land afkomstig is, het wat minder eenvoudig is voor zijn collega's uit andere grote landen hem bij allerlei zaken voor de voeten te lopen. Kortom, klein land of groot land, het maakt allemaal niet zoveel uit.

Zeker niet zolang de reacties in de verschillende Westeuropese landen op gebeurtenissen in het Europa van na 1989 nog zoveel gelijkenis vertonen met de reflexen van zeg een halve eeuw geleden. Het zal nog zeker een kwart eeuw duren voordat dat over is.

Daaruit, en nu kom ik tot beantwoording van de derde aan mij gestelde vraag, kunnen politici als Bolkestein afleiden dat het Europa van de Twaalf nog niet aan een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid toe is. Ik geef ze niet volledig ongelijk. Het probleem is echter dat voor de landen van Oost- en Centraal-Europa, of die van de Maghreb of weer andere - en daarmee ook voor onszelf - zo'n gemeenschappelijk buitenlands beleid een voorwaarde voor stabiliteit en vrede is.

Dat is een niet onbelangrijke reden om ondanks de onvolkomenheden van de samenwerking niet te veel aan Euro-egoïsme te doen. Amerika knapt onze klussen in de Oosteuropese of Mediterrane omgeving niet langer op, we zullen het voortaan zelf moeten doen. Het wordt hoog tijd dat het publieke debat daarover in Nederland begint.

In Nederland is te lang gemeend dat Europa er voor landbouwsubsidies of mededingingsregels was en dat Den Haag verder Den Haag kon blijven. De fractieleiders van VVD en PvdA, de heren Bolkestein en Wöltgens, gaven er onlangs blijk van daarvan nog steeds te zijn overtuigd. De eerste wil het laten bij deregulering van de interne markt, met dan nog wat milieubeleid, de tweede wil de nationale sociale zekerheid van Europa afschermen. Als Bolkesteins Europa er komt, kan Wöltgens zijn sociale zekerheid wel vergeten. Concurrentie door middel van forse belastingverlagingen bijvoorbeeld gaan dan onze EG kenmerken.

De vraag komt op of interne markt en Economische en Monetaire Unie op z'n Brits, dat wil zeggen zoals Bolkestein het ziet, met overigens met wat meer democratisering, toekomst hebben in een Europese Gemeenschap van twaalf of meer lidstaten. Reeds nu zien we dat het Europese proces van nationale deregulering dat tot de interne markt moet leiden een reguleringsbehoefte op het Europese niveau opwekt. Dat geldt niet alleen Bolkesteins milieubeleid, maar ook bijvoorbeeld sociaal en industriebeleid of sociale en economische cohesie tussen arm en rijk Europa. Met de totstandkoming van de Economische en de Monetaire Unie is aan verdere stappen niet te ontkomen.

Tegelijk leidt meer Europese regelgeving tot angst voor centralisme en bureaucratie. Die angst kan alleen weggenomen worden als bij de besluitvorming in de Gemeenschap overbodige centralisatie vermeden wordt. Het subsidiariteitsbeginsel is, terecht, plotseling in het brandpunt van de belangstelling komen te staan. Over de Nederlandse sociale zekerheid hoeft de fractieleider van de PvdA zich dan ook geen zorgen te maken zolang hij er, bijvoorbeeld door goed onderwijs en een goede infrastructuur, aan meewerkt dat Nederland in de EG met de besten mee kan.

Er is dus geen aanleiding tot de "Umwertung aller Werten' die Bolkestein heeft moeten doormaken. Daarmee is overigens niet gezegd dat de fractieleider van de VVD geen volgelingen heeft. Er groeit weerstand tegen de EG naarmate die Gemeenschap minder buitenland wordt. De cultuurdiscussie, de reacties van Kamerleden op hun beperkte zeggenschap over de verzekeraar in de gezondheidszorg of het mediabeleid, ze geven het aan. De uitbreiding van de Brusselse redactie van deze en andere kranten, de mogelijke opwaardering van onze Europarlementariërs, ze zijn de andere kant van de medaille. Europees beleid wordt eindelijk binnenlands beleid.

Dreigen we als reactie op die ontwikkeling meer te gaan sympathiseren met onze Britse vrienden? Als zij van het continent afdrijven ontwikkelen wij die neiging ook, zeker als het gaat om het buitenlandse en veiligheidsbeleid. Tegelijk weten wij dat we voor onze economische welvaart steeds meer op dat Europese continent zullen zijn aangewezen. Bovendien is het moeilijk in te zien dat onze veiligheidsproblemen anders zijn dan die van onze Duitse buren. Nederland - en dat geldt ook voor het Verenigd Koninkrijk - kan zich dus niet veroorloven het gezicht af te wenden van de ontwikkelingen op het Europese vasteland. De transatlantische verbondenheid blijft een belangrijke hoeksteen voor Europees beleid, maar de continentale dimensie zal in de komende periode een steeds zwaarder stempel op dat beleid drukken. Deze constatering vraagt om een bezinning op het Nederlandse EG-beleid. Als we daar niet toe overgaan zullen de ontwikkelingen in Europa, en dan met name de voortgaande economische en monetaire eenwording van Europa, beleidsaanpassing afdwingen. En dat zou voor een land, dat zich als voorvechter van democratische besluitvorming in Europa afficheert, bijzonder te betreuren zijn.