Guus vroeg of alles kits was en ik vroeg of hij ...

Guus vroeg of alles kits was en ik vroeg of hij het gelezen had, het verhaal, de eerste aflevering.

Guus knikte. Hij maakte een O van duim en wijsvinger en bracht die even aan zijn lippen. Guus grijnsde. Ik geloof dat ik bloosde.

Buiten de lokalen van Deze Week kon je je makkelijk in Guus Liguster vergissen. Hij droeg bij voorkeur spijkerbroeken en ijstruien. Zijn manier van bewegen was aapachtig. Met verstolen gebaren vestigde hij steeds de aandacht op zijn wanstaltig uitgegroeide handen. Je kon hem voor een bouwvakker houden, en dat was zijn bedoeling ook. Hij beschouwde zichzelf als een proletariër in de journalistiek. Zijn werkelijkheid was rauw, hij behandelde emoties als bakstenen.

Hij keek kritisch om zich heen en zijn blik bleef rusten op mijn schrijfmachine. Dat was een van de voordelen: ik hoefde me nooit meer af te vragen of ik moest overstappen op een tekstverwerker. Die dans was ik ontsprongen.

""Werk je hier lekker?'' vroeg Guus.

""Ja hoor.''

""Dit kost kapitalen, dat ben je je hopelijk bewust.''

""Dat ben ik me bewust.''

""Wat lach je nou?''

""Niks'', zei ik. ""Ik dacht ergens anders aan.''

Ik dacht eraan dat me iets gelukt was. Dat lekkere werken van mij kwam hem inderdaad op ettelijke honderden guldens per dag te staan. Maar Guus hield nu eenmaal van grote beslissingen. Dus had ik mijn plannen buitengewoon groot gepresenteerd. Had het op een koopje gekund, dan was Guus lang zo happig niet geweest.

""Kom'', zei ik. We liepen naar het balkon en ik ging in mijn hoekje zitten. ""Geef me die deken eens aan.'' Er lag een Schots geruite plaid voor me klaar. Als je die over je benen legde, kreeg je prompt een beetje een ziek idee van jezelf.

Guus zei dat hij bezig was een inleiding bij mijn verhaal te schrijven. Om de serie te lanceren, zoals hij het noemde.

""Misschien'', opperde ik, ""is het verstandig de mensen een kans te geven mij aardig te gaan vinden.''

""We zijn altijd vrienden geweest'', verzekerde Guus. ""Ik heb altijd bewondering voor je gehad.''

God, wat waren we het eens, wat een vaklui waren we toch!

Daarna ging Guus naar zee zitten staren. Alsof alles al gezegd was. Langzaam steeg de spanning. Alsof er iets op exploderen stond.

Toen kwam Connie thuis. Ze maakte een jachtige, opgewonden indruk. Ze schrok van Guus' aanwezigheid. Ik had me afgevraagd hoe hij op háár zou reageren. Wat zou er door hem heengaan als hij haar aankeek? Wat zou hij denken? Maar hij keek niet. Hij stak zijn hand uit naar het cognackleurige plexiglas van de balustrade; scheen zich opeens een oordeel te willen vormen over de kwaliteit ervan.

Connie was naar mijn moeder geweest. Ze gaf me een plastic tasje en daar bleken foto's in te zitten, foto's van vroeger. We bekeken ze. Guus siste tussen zijn tanden, hoewel het heel gewone foto's waren. Ik bedoel, het waren heel gewone foto's geweest als ik niet toevallig op het punt had gestaan om dood te gaan.

De wind. De wind kreeg een foto te pakken. We zagen hem door de lucht dwarrelen en ik riep: ""Daar gáát m'n jeugd!'' Wat een schitterend beeld ook weer. Ik kreeg het allemaal wel in mijn schoot geworpen!

""Goed Guus, nemen we een borrel?''

""Mag jij drinken?''

""Ik mag alles'', zei ik flink.

Naderhand vroeg ik of mijn moeder nog iets bijzonders had gezegd. Nee, mijn moeder had niets bijzonders gezegd. Eigenlijk had ze alleen maar haar schouders opgehaald.

(wordt vervolgd)