Er is nog niet zo veel historisch onderzoek ...

Er is nog niet zo veel historisch onderzoek verricht naar de ontstaansgeschiedenis van het moderne contractbridge.

Door de publiciteit die het spel in de tweede helft van de jaren '20 en in de jaren '30 in Amerika kreeg, is alle aandacht steeds uitgegaan naar de befaamde boottocht die Harold S. Vanderbilt met enkele vrienden eind 1925 door het Panamakanaal maakte. Door zijn vrienden voor te stellen bridge te spelen met een nieuwe scoretabel die hij had ontwikkeld, en door dat spel contractbridge te noemen, is Vanderbilt de bridgegeschiedenis ingegaan als de man die het contractbridge heeft "uitgevonden'.

Dit verhaal heeft de charme van de eenvoud. De werkelijkheid is echter veel gecompliceerder. Dat blijkt bijvoorbeeld uit bridgeliteratuur uit de overgangsperiode. Daarin komt de term contractbridge al voor als Vanderbilt zijn trip nog moet maken, en na 1925 wordt nog geruime tijd een vorm van bridge met contractbridge aangeduid die niets met Vanderbilts scoretabel van doen heeft, maar nagenoeg gelijk is aan Plafond, de Franse voorloper van het huidige contractbridge.

Dit viel mij weer op toen ik op zoek naar oudere bridgeliteratuur in een Berlijns antiquariaat op enkele boeken stuitte uit het midden van de jaren '20 met titels als Kontrakt-Bridge (Plafond) of met een beschrijving van het spel waaruit blijkt dat het Amerikaanse contractbridge volgens Vanderbilts scoretabel hooguit als een variant werd gezien van het in Duitsland toentertijd gespeelde contractbridge.

Uit een ander boekje dat de weinigzeggende titel Bridge Allerlei draagt, geschreven door een zekere Dohna en verschenen in 1935, trof ik een heel modern ogend hoofdstukje aan. De schrijver analyseert de resultaten van het Europees Kampioenschap van 1934. Hierin eindigde Nederland met 14 overwinningspunten gelijk met Hongarije als eerste, voor Oostenrijk en Engeland met ieder 13 punten. Omdat bij gelijk eindigen de scorepunten de doorslag gaven en de Hongaren 254 scorepunten hadden behaald tegen de Nederlanders 213, ging de titel naar Hongarije. Als de vier beste teams alleen tegen elkaar hadden gespeeld, zo rekende Dohna uit, zou Nederland met 4 punten eerste zijn geworden en Hongarije met 2 punten vierde! Het toeval speelde een grote rol, zo luidde de conclusie.

Maar wij herkennen een verschijnsel dat zich nog steeds voordoet: Nederlandse teams spelen doorgaans goed tegen de koplopers, maar zijn te weinig "killers' tegen de zwakkere broeders. Het Nederlandse team haalde ook een 100 procent resultaat op geboden grootslems en scoorde na Engeland met 65 procent het beste op de kleinslems. Ja, het Nederlandse team met de gebroeders Goudsmit en Bolo Einhorn behoorde toen zonder meer tot de Europese top. Hadden ze een gelijkwaardige vierde man gehad, dan zouden ze, in plaats van "eeuwige tweede' te zijn, zeker meermalen de titel hebben gegrepen.

Van de gebroeders Goudsmit, die hij als Goudsmith ten tonele voert, laat Dohna dit spel zien dat hem imponeerde:

ß7 A 8 2 ß6 H V 7 4 ß5 8 2 ß4 A V 9 5

ß7 B 5 ß6 10 6 3 ß5 10 9 7 3 ß4 H B 7 3

ß7 H V 10 9 6 4 3 ß6 A B 9 5 ß5 V 6 ß4 --

ß7 7 ß6 8 2 ß5 A H B 5 4 ß4 10 8 7 4 2

De "Goudsmeden' zaten NZ en een sterk Engels paar OW. N opende met 1 ß6, O sprong naar 3 ß7, na passen van Z door W tot 4 ß7 verhoogd. Dit bod liep naar Z door. Deze bood nu 5 ß4! W doubleerde en iedereen deed er verder het zwijgen toe. Dat was niet kinderachtig geboden van Z, maar de auteur vindt het een goed doordachte actie: ""Zijn partner had ß6 gebonden en moest dus een goede steun in ß4 hebben omdat Z zelf topkracht in ß5 bezit en de tegenstanders klaarblijkelijk alle ß7's hebben.''

Het is een wat simpele redenering want N's ß6-bezit kan sterker en zijn ß4-bezit zwakker zijn en bovendien zegt het bieden weinig omtrent N's lengte in ß4. Niettemin is de waardering terecht, gegeven het feit dat in de jaren '30 de conventie nog onbekend was die nu een verantwoorder actie had mogelijk gemaakt. Z biedt 4 SA als "ongewone' SA, waarmee hij zijn partner vraagt te kiezen tussen de twee ongeboden kleuren.

En hoe liep het af met Z's 5 ß4? Voortreffelijk. De ß7-uitkomst werd op tafel genomen, met ß5 A naar de hand overgestoken voor de snit met ß4 9. Een ß5 voor ß5 H elimineerde O's ß5 V, op ß5 B ging een ß7 weg en een ß5 werd in N met ß4 5 getroefd. Z speelde nu ß6 H van tafel voor O's ß6 A. Diens ß7-naspel troefde Z met ß4 2 en hij speelde zijn vrije ß5 voor. Of W troeft of niet, het helpt hem niets. Hij krijgt één slag en niet meer.

Het geluk was hier duidelijk bij de stoutmoedige. Met een minder fortuinlijk ß4-zitsel zou Z zijn contract niet hebben kunnen winnen, terwijl het 4-ß7-bod van OW evenmin als nu te winnen zou zijn geweest. Maar dat zijn typisch overwegingen achteraf. Door hun agressieve bieden zetten de gebroeders Goudsmit in hun gloriejaren tegenstanders sterk onder druk en die druk was toen nog gevaarlijker dan nu omdat de biedtechniek veel minder was ontwikkeld. Partners haalden in die tijd minder informatie uit het bieden dan tegenwoordig. Wie daarvan goed wist te profiteren, was een potentiële kampioen.