Einde Dienst (2)

Moderne landen geven hun burgers liever rechten dan plichten. Nederland is een heel modern land. Sinds de afschaffing van de stem- en de opkomstplicht staan tegenover de eer van het Nederlanderschap alleen nog: de belastingplicht, de leerplicht, de plicht om de stoep schoon te vegen bij serieuze sneeuwval en de dienstplicht.

Die laatste plicht geldt in de praktijk alleen voor drie op de tien manmensen. Wie beschikt over een lichamelijk of geestelijk bezwaar, een hoofdrol in de winkel thuis of enige kenmerken van het vrouw-zijn, hoeft de wapenrok niet te dragen.

Daar zit iets onrechtvaardigs in. Dat is altijd zo geweest, maar nu De Vijand in het Oosten zo aftakelt, wordt dat onrecht meer gevoeld. In de Tweede Kamer werd het argument vorige week althans aangevoerd toen zich voor het eerst een meerderheid aftekende voor afschaffing van de dienstplicht.

Zolang het vaderlands grondgebied niet wordt bedreigd, is de dienstplicht even theoretisch als de discussie over de dienstplicht. Wie nu "opkomt voor zijn nummer' terwijl ginds generaal Oblomov regeert, heeft enig recht te balen. Zeker als de korporaal die hem moet uitleggen waar de trekker van het standaardwapen zit, zelf twijfelt aan het nut van zijn roeping.

Dat was nog wel anders toen ik in 1972 in totaal twee kogels mocht afvuren op de oefenbaan.

De wereld is te sterk veranderd om de militaire dienstplicht zonder meer te handhaven. Maar juist nu het instituut is bevrijd van de loden last van het Communistische Beest, dat iedere vorm van discussie tientallen jaren staatsgevaarlijk maakte, zou het een gemiste kans zijn het commando "Einde Dienst' te geven zonder enige vorm van nadenken.

Praktische zaken moeten eerst geregeld zijn. Om een voorbeeld te noemen. Als realiteiten op de arbeids- een onderwijsmarkt de personeels-rekenaars bijvoorbeeld zouden leren dat een beroepsleger voor de nu noodzakelijk geachte taken van een krijgsmacht in de jaren negentig niet te bemannen is, dan is het niet verstandig uit vage tijdgeest-motieven door te dromen over een vrijwilligersleger. Als zou blijken dat het veel duurder is, en dat je dus minder defensie voor het zelfde geld krijgt, is het ook nuttig dat eerst even vast te stellen.

Als zulke belemmeringen niet opdoemen, is het mogelijk iets vrijer over de dienstplicht na te denken. Het onrecht van de ongelijke lastenverdeling is wel een probleem, maar het blijkt dat dienstplichtigen en de bevolking als geheel er niet van wakker liggen. Uit een enquête van de VVDM en de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht bleek in september dat 51 procent van de dienstplichtigen en 38 procent van de bevolking de situatie "onredelijk' vinden.

sier,tm Het protest dat zou klinken uit het toegenomen beroep op de Wet Gewetensbezwaarden valt ook wel mee. Tot en met 1989 meldden zich jaarlijks om en nabij de 3000 liefhebbers, waarvan ongeveer 2000 succes hadden. In 1990 en dit jaar zijn het 4050 respectievelijk (naar schatting) 4200 dienstplichtigen die een beroep op hun geweten doen; 35 procent nam daarvoor een uitsteljurist in de arm.

Het cijfer van drie op de tien mannen die maar hoeven op te komen, klinkt iets minder wreed als men rekening houdt met vrijstellingen en afkeuringen. Dan worden zes van de tien goedgekeurden opgeroepen. Maar dat terzijde.

Op het congres in september, waarmee de Vereniging Voor Dienstplichtige Militairen haar 25-jarig jubileum vierde, bracht oud-minister van sociale zaken W. Albeda de gedachte naar voren dat de idealen van de emancipatie in Nederland al een eind gerealiseerd zijn. Hij dacht dat het tijd was geworden tegenover de "gelijke rechstbedeling' het begrip "gelijke plichtsbedeling' te introduceren.

Albeda pleitte bij die gelegenheid voor gelijke "dienplicht-toedeling'. Tegen de bezwaren van defensie-specialisten Van Houwelingen en Stemerdink, en FNV-voorzitter Stekelenburg merkte hij op: “Ik zie die dien-verplichting op basis van keuze-vrijheid tussen militaire dienst, de zorgsector of wellicht andere nuttige maatschappelijke activiteiten niet als een vervanging van reguliere arbeid. Het zou - hoewel onvrijwillig - een activiteit moeten zijn waarvoor men een marktconforme vergoeding ontvangt”.

De VVDM zou een Vereniging Van Dien-plichtige Militie kunnen worden, bedacht Albeda voor de gastheren. Een vergrijzende natie zal er in zijn ogen sterk behoefte aan krijgen op deze wijze het zorg-element zeker te stellen. Daarbij kan evenzeer worden gedacht aan het milieu, als aan zieken-, zwakzinnigen- en bejaardenzorg en ontwikkelingshulp.

Tegenargumenten zijn er te over. Zoals: iedere plicht tot dienen heeft een element van dwangarbeid in zich. En: wij kunnen zieken, zwakzinnigen en bejaarden toch niet blootstellen aan de luimen van onvrijwillig geroepenen? Of: deze jeugdige zorgers verpesten de arbeidsmarkt, door hun (afgedwongen) bereidwilligheid werk te doen waar tegen de huidige vergoeding niet of moeilijk mensen voor te vinden zijn.

Meer principieel geformuleerd luidt het bezwaar: Nederland moet vaststellen welke zorg essentieel wordt geacht, en het vervolgens zo inrichten dat daar genoeg middelen voor beschikbaar komen. Dat is een kwestie van normale prioriteitstelling. In deze redenering is het onaanvaardbaar jonge mensen te misbruiken om het sociale gezicht te redden van een materialistische natie die niet wil kiezen.

Een andere bron van huiver voor de dienstplicht is altijd geweest de afkeer van militaristische en de nationalistische elementen in het moeten meedoen met een krijgsmacht waar men zich niet altijd toe voelt aangetrokken. Ook als deze en de volgende Europese top niet acuut leidt tot Verenigde Staten van Europa, kan die ontwikkeling toch soelaas brengen voor meer verlichte verdedigers van het eigen belang.

"Nation building' is in deze vorstelijke republiek nooit zo'n makkelijk punt geweest. Maar wat te denken van een Europese doelstelling van onze defensie? Na Maastricht zal de opbouw van de Europese dimensie van de oude NAVO gewoon doorgaan. De Grondwet zou kunnen lezen: “Alle Nederlanders daartoe in staat, zijn verplicht mee te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van Europa en tot verdediging van zijn grondgebied. Ook aan ingezetenen die geen Europeanen zijn, kan die plicht worden opgelegd”.

De integratie van niet-Europeanen zou wel eens één van de belangrijkste argumenten voor handhaving of opzet van een dien(st)plicht kunnen worden.