EG beslist over sociale zekerheid zonder inzicht in gevolgen

DEN HAAG, 7 DEC. In Maastricht worden volgende week ook de eerste stappen gezet naar sociale eenwording binnen de EG. Als er echter één terrein is waarover weinig vergelijkbare informatie bestaat dan is dat het terrein van de sociale zekerheid.

Het komt erop neer dat op dit terrein beslissingen worden genomen zonder dat de consequenties kunnen worden overzien. Dat verklaart mede het Nederlandse voorstel om elk der lidstaten een vetorecht te geven bij beslissingen over harmonisatie van sociale zekerheidsregelingen.

Heel anders is het bij de beslissingen over de EMU. Er is duidelijke en vergelijkbare informatie voorhanden over de omvang van financieringstekort, staatsschuld, inflatie, tekorten of overschotten op de lopende rekeningen van de betrokken landen. Ook is bekend waar eventuele verschillen van definities zich voordoen.

De EG heeft echter nauwelijks vergelijkbare gegevens over het financieel beslag dat de sociale zekerheid legt op het nationale inkomen, het aantal uitkeringsgerechtigden en dergelijke, omdat er sprake is van veel definitieverschillen, die nog niet door de EG in kaart zijn gebracht. De Europese Commissie heeft inmiddels wel stappen genomen ter verbetering van de informatievoorziening, maar die zijn voor een deel nog experimenteel.

Het Statistisch Bureau van de EG werkt aan een betere afstemming van de begrippen die in de sociale zekerheid worden gebruikt. Maar volgens het ministerie van sociale zaken blijkt uit de eerste verkenningen dat het aanbrengen van uniformiteit in definities “een uitermate gecompliceerde aangelegenheid is”. Resultaten zijn dan ook pas op termijn te verwachten.

Uit de Financiële Nota Sociale Zekerheid 1992, die eind september verscheen, blijkt bij voorbeeld dat de omvang van de sociale zekerheidsuitgaven in de verschillende EG-landen moeilijk is te vergelijken. In sommige landen worden bepaalde sociale zekerheidsuitgaven versluierd gedaan via aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting. Dat leidt tot een neerwaartse vertekening van de uitgaven aan sociale zekerheid. Nederland deed dat tot het eind van de jaren zeventig met de kinderaftrek. Toen die werd omgezet in een verhoging van de kinderbijslag leidde dat tot een - louter statistische - stijging van de uitgaven aan sociale zekerheid.

Een tweede factor die, volgens het ministerie van sociale zaken, de vergelijkbaarheid bemoeilijkt is de omvang van belasting- en premieheffing over sociale uitkeringen. Er zijn EG-landen waar over bepaalde uitkeringen geen belastingen en premies worden geheven. In die landen liggen daardoor de bruto uitgaven aan sociale zekerheid lager dan in landen - zoals Nederland - waar wel premies en belastingen worden opgelegd. Dit verschijnsel leidt in deze laatste landen zowel tot hogere bruto collectieve uitgaven als tot een hogere collectieve lastendruk, zonder dat dit ook een hoger peil van sociale zekerheid (hogere netto uitkeringen) inhoudt.

Nederland, met relatief hoge bruto-uitkeringen, vindt dat in internationale vergelijkingen met de mate van belasting- en premieheffing rekening moet worden gehouden. Een probleem is dat hierover nog maar weinig bekend is. Ook de EG heeft deze gegevens niet voorhanden, aldus Sociale Zaken, wel zijn er aanwijzingen dat in Nederland in het algemeen het verschil tussen bruto en netto uitkeringen groter is dan in andere EG-landen. Op basis van de wel beschikbare EG-gegevens concludeert Sociale Zaken dat in de meeste andere EG-landen “veel minder of wellicht in het geheel geen premies worden geheven over sociale uitkeringen. De Financiële Nota 1992 vermeldt dat in België en Duitsland geen belasting wordt geheven over arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Bovendien wordt in een aantal andere EG-landen - in tegenstelling tot Nederland - geen dan wel zeer weinig belasting geheven over AOW-uitkeringen.

Opmerkelijk is dat het ministerie van sociale zaken al in 1986 heeft gewezen op de gevolgen van het verschil tussen bruto en netto uitkeringen op de omvang van de totale uitgaven aan sociale zekerheid en de collectieve lastendruk. Sindsdien heeft het ministerie kennelijk op EG-informatie zitten wachten, want meer duidelijkheid dan toen is er nog steeds niet in de informatie aan de Tweede Kamer te vinden. Toch heeft Nederland belang bij duidelijkheid over deze zaak als in de toekomst gesproken wordt over harmonisatie van uitgaven aan sociale zekerheid.

Nederland staat nu met zijn uitgaven aan sociale zekerheid aan de top van de EG. Vindt echter een correctie plaats voor premie- en belastingheffing op uitkeringen - naar het voorbeeld van andere EG-landen - dan komen de Nederlandse uitgaven aan sociale zekerheid al snel circa 3 procent van het nationale inkomen lager te liggen dan de statistieken nu aangeven. Niet dat Nederland zich daarmee overigens meteen heel laag klasseert. Maar het zit dan in de groep van andere koplopers in de EG: België, Duitsland, Denemarken en Frankrijk.